|
Ot van Daalen
in samenwerking Bits Of Freedom
Versie 1.2 - 16 oktober 2003
Inhoudsopgave
Wie op internet informatie met een kritische inhoud
verspreidt of publiceert, stuit soms op tegenstand.
Of het nu gaat om protest tegen sektes,
multinationals of grote infrastructurele projecten
van de overheid, de kans is groot dat de tegenpartij
een advocaat inschakelt. Vaak krijgt de activist of
zijn provider dan een zogenaamde blaf-fax met de
sommatie om de website onmiddellijk te sluiten. De
tegenpartij weet vaak een indrukwekkende lijst
wetsartikelen te noemen waaruit moet blijken dat de
activist volstrekt onrechtmatig bezig is.
Deze gids probeert op een heldere manier te
beschrijven wat een activist kan verwachten bij zijn
protest op internet. De gids veronderstelt een
basiskennis van het internet en gaat met name in de
op de juridische aspecten van het on-line
actievoeren. De gids is geen handleiding voor
effectief actievoeren op internet. Wie wil weten hoe
je medestanders bereikt of hoe je met weinig geld een
website opzet, zal in deze gids vergeefs naar
antwoorden zoeken.
De gids behandelt uitsluitend Nederlandse wetgeving
en jurisprudentie. Hoewel iedereen met een een
muisklik buitenlandse site kan bezoeken, heeft een
Nederlandse activist met een website die in Nederland
wordt gehost in de praktijk nauwelijks met wetgeving
uit andere landen te maken. Bovendien is informatie
over buitenlandse (vaak Amerikaanse) wetgeving en
jurisprudentie op internet ruim voorhanden. Het is
opmerkelijk eenvoudig om via de dagbladen op de
hoogte te blijven van internetjurisprudentie uit
Californië, terwijl vergelijkbare informatie uit
Nederland slechts via gespecialiseerde vakbladen of
websites te lezen is.
Het tweede hoofdstuk behandelt het juridisch kader
met betrekking tot het publiceren van onrechtmatige
informatie op een website. Het derde hoofdstuk
behandelt de aansprakelijkheid voor hyperlinks. Het
vierde hoofdstuk gaat over het gebruik van kritische
domeinnamen en het vijfde hoofdstuk gaat over de
toelaatbaarheid van e-mail campagnes. Tot slot gaat
hoofdstuk zes over een aantal algemene onderwerpen
die op het internet relevant kunnen zijn, zoals de
vraag wat een merk is.
De gids is geschreven door Ot van Daalen in
samenwerking met Bits of
Freedom.
Deze gids kan niet dienen ter vervanging van
juridisch advies. Wie in juridische problemen komt
zal altijd contact moeten opnemen met een jurist of
advocaat.
Deze gids is bedoeld als eenvoudige handleiding, niet
als juridisch document. De onderwerpen zijn afgestemd
op de activist, en niet op de gespecialiseerde
jurist. De schrijvers hebben er naar gestreefd de
onderwerpen correct te bespreken, maar niet
uitputtend. Het internetrecht is constant in beweging
en de gids is slechts een momentopname van de
rechtszaken die op dit moment relevant zijn.
Opmerkingen en aanvullingen zijn welkom op
<info  bof.nl>.
2.
Aansprakelijkheid en onrechtmatige informatie
De meeste websites zijn gepubliceerd op een computer
die zich bevindt bij een ISP. Daarnaast is het niet
altijd duidelijk wie de website heeft gepubliceerd.
Als iemand ontevreden is over een publicatie op een
website wendt men zich daarom meestal eerst tot de
ISP. Soms verzoekt men de ISP om de website te
blokkeren en soms verzoekt men bijvoorbeeld om de
gegevens van die abonnee af te staan. Dit hoofdstuk
beschrijft de rechten en plichten van de ISP met
betrekking tot onrechtmatige informatie.
2.1 Wanneer heeft een provider
de plicht om bestanden te blokkeren?
Uit jurisprudentie die hieronder wordt besproken
blijkt dat de ISP informatie moet blokkeren als
aan de juistheid van een kennisgeving van
onrechtmatigheid in redelijkheid niet valt te
twijfelen. Dit geldt als:
- de kennisgeving afkomstig is van een rechter,
of
- als de informatie op de website onmiskenbaar
onrechtmatig is.
Het is duidelijk of een kennisgeving afkomstig is
van een rechter. Maar het is niet altijd duidelijk
wanneer informatie 'onmiskenbaar onrechtmatig'
is. De rechter heeft in de Radikal-zaak wel aangegeven
wanneer géén sprake is van
'onmiskenbaar onrechtmatig' materiaal. Als een
ISP een kennisgeving krijgt dat informatie beledigend
zou zijn of inbreuk zou maken, dan hoeft die informatie
niet direct te worden geblokkeerd. De ISP dient dan
nadere informatie te vragen van degene die de
kennisgeving doet en van de houder van de website. Als
de informatie echter onmiskenbaar onrechtmatig is dan
moet de ISP deze direct blokkeren.
Er hebben zich de afgelopen jaren twee Nederlandse
rechtszaken voorgedaan waarin de aansprakelijkheid van
ISPs centraal stond. Hieronder worden deze twee
Nederlandse ISP-rechtszaken, de Scientology-zaak en de
Radikal-zaak, verder besproken. Omdat de uitspraak van
de rechtbank in de Scientology-zaak, die de
aansprakelijkheid van de ISP uitgebreid behandelde, in
hoger beroep is vernietigd, is de Radikal-zaak op dit
moment richtinggevend.
Scientology
De Scientology zaak is de eerste Nederlandse
rechtszaak over de aansprakelijkheid van de provider.
Schrijfster Karin Spaink publiceert op haar website
een aantal documenten die onderdeel uitmaken van de
leer van de Church of Spiritual Technology, beter
bekend als de Church of Scientology (COS). De
documenten zijn auteursrechtelijk beschermde werken
van de in 1986 overleden L. Ron Hubbard. Na een
dreigbrief van COS publiceren andere internetters
kopieën van de documenten op hun website. COS
dagvaardt daarom 22 ISPs en Karin Spaink.
COS vordert een verbod tegen Karin Spaink op het
publiceren van documenten. COS vordert echter ook een
gebod dat de ISPs, zodra de ISPs worden gewezen op de
aanwezigheid van inbreukmakende documenten op hun
computersysteem, de documenten zullen
verwijderen.
Op 12 maart 1996 doet de president van de rechtbank
Den Haag in kort geding uitspraak. Hij wijst de
vorderingen jegens de ISPs en Spaink af. COS spant
echter een bodemprocedure aan, en gaat daarnaast in
beroep tegen de uitspraak in kort geding. De
rechtbank Den Haag doet op 9 juni 1999 uitspraak in
de bodemprocedure. Deze rechtbank kiest de middenweg
--- de ISP moet inbreukmakende bestanden pas
blokkeren als aan de juistheid van een
kennisgeving van een rechthebbende in redelijkheid
niet valt te twijfelen.
De ISPs zijn tegen deze uitspraak in beroep gegaan,
en nadat het Hof haar uitspraak negen keer heeft
uitgesteld, doet zij op 4 september 2003 uitspraak.
Zij is van oordeel dat Spaink geen
auteursrechtinbreuk pleegt door de gewraakte
documenten op haar website te publiceren. Het Hof
baseert zich hierbij met name op artikel 10 van het
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, dat de
vrijheid van meningsuiting beschermt. Nu Spaink geen
auteursrechtinbreuk pleegt, komt de plicht van de
ISPs om de gewraakte documenten te blokkeren niet aan
de orde.
Het Hof heeft dan ook geen aandacht gewijd aan de
overweging van de rechtbank dat blokkeren pas geboden
is als "aan de juistheid van de kennisgeving in
redelijkheid niet valt te twijfelen." Het is
echter waarschijnlijk dat dit criterium deels het
uitgangspunt is voor het beoordelen van de plicht van
een ISP om onrechtmatig materiaal te blokkeren. De
implementatiewet van de Richtlijn elektronische
handel, die hieronder aan de orde komt, verwijst
namelijk naar de toets uit het vernietigde
vonnis.
Scientology gaat mogelijk in cassatie bij de Hoge
Raad.
Radikal
In de zomer van 2002 is voor de tweede keer een
procedure gevoerd over de aansprakelijkheid van ISPs
voor de informatie van hun gebruikers. Ditmaal ging
het niet over auteursrechtinbreukmakende bestanden,
maar over andersoortige onrechtmatige informatie.
Een abonnee van XS4ALL publiceert op zijn homepage
twee artikelen uit het tijdschrift Radikal. Het
artikel 'Kleiner Leitfaden zur behinderung von
bahntransporten aller art' beschrijft hoe men de
spoorwegen van de Deutsche Bahn (DB) kan ontregelen.
Het artikel 'AEG Produktinformation'
beschrijft hoe men een haakklauw kan vervaardigen
waarmee elektrische bovenleidingen van het
spoorwegnetwerk kunnen worden vernield.
DB schrijft XS4ALL op 8 april 2002 dat de twee
artikelen onrechtmatig zijn. DB verzoekt XS4ALL om de
toegang tot de artikelen te blokkeren en de
identiteit van de gebruikers van de artikelen bekend
te maken. XS4ALL antwoordt een dag later dat uit de
kennisgeving van DB en de inhoud van de
webpagina's niet valt af te leiden dat de
informatie op de pagina's onmiskenbaar
onrechtmatig is. XS4ALL verzoekt DB daarom om aan te
tonen dat de informatie 'onmiskenbaar
onrechtmatig' is jegens Deutsche Bahn - zij volgt
een notice-and-takedown procedure. De DB gaat hier
niet op in en dagvaardt XS4ALL in kort geding op 11
april 2002.
DB vordert dat XS4ALL de artikelen blokkeert en
verwijdert. Ook vordert DB om de namen en adressen
van de gebruikers van de artikelen te overhandigen
aan DB. In een gedeeltelijk eindvonnis van 15 april
2002 beveelt de voorzieningenrechter van de Rechtbank
Amsterdam aan XS4ALL om de toegang tot deze twee
artikelen te blokkeren. Op 25 april 2002 doet de
voorzieningenrechter uitspraak in kort geding. Hij
beveelt XS4ALL om de onrechtmatige informatie te
verwijderen, en om de namen en adressen van de
websitehouder prijs te geven. 'Een bevel tot
afgifte van de namen en adressen van alle gebruikers
van de websites, waaronder ook zijn begrepen de
bezoekers van de websites, strekt te ver aangezien
het raadplegen van die websites op zichzelf geen
onrechtmatig handelen oplevert,' aldus de
rechter.
XS4ALL gaat tegen deze beslissing in beroep, en het
Hof Amsterdam doet op 7 november 2002 uitspraak. Ten
tijde van de uitspraak ligt het wetsvoorstel ter
implementatie van de Richtlijn Elektronische Handel
bij de Tweede Kamer. Het Hof Amsterdam stelt, net
zoals in de Scientology zaak in eerste instantie, dat
de ISP informatie moet verwijderen als 'aan de
juistheid van de kennisgeving in redelijkheid niet
kan worden getwijfeld.'
Aan de juistheid van de kennisgeving kan niet worden
getwijfeld als:
- de kennisgeving afkomstig is van een rechter,
of
- de informatie op de website onmiskenbaar
onrechtmatig is.
Deze formulering komt uit het wetsvoorstel ter
implementatie van de Richtlijn Elektronische Handel,
dat hieronder wordt behandeld.
De rechter werkt deze verplichting uit. In het geval
dat een kennisgeving wordt gestuurd dat informatie
beweerdelijk beledigend of inbreukmakend is hoeft de
ISP niet de informatie te blokkeren. In dat geval
dient dient hij namelijk nadere informatie te vragen
aan degene die de kennisgeving doet en aan de houder
van de website. Als de informatie echter
'onmiskenbaar onrechtmatig' is dan moet
XS4ALL de informatie direct verwijderen. Ook moet
XS4ALL de namen en adressen van de abonnees van de
website geven. Het Hof bekrachtigt de beslissing van
de rechtbank.
De Richtlijn
Elektronische Handel
In de Radikal-zaak liep de rechter vooruit op het
wetsvoorstel ter implementatie van de Europese
Richtlijn Elektronische Handel van 8 juni 2000
(2000/31/EG). Deze richtlijn regelt de
aansprakelijkheid van de ISP, niet alleen voor
inbreukmakend materiaal, maar ook voor andersoortig
onrechtmatig materiaal. De richtlijn is nog niet in
de Nederlandse wet omgezet, maar de rechter baseert
zijn beslissingen wel reeds op het wetsvoorstel,
omdat de implementatie-deadline van 17 januari 2002
is verstreken. Binnenkort wordt dit wetsvoorstel
aangenomen.
Het wetsvoorstel ter implementatie van de Richtlijn
Elektronische Handel is op 23 januari 2002 aangeboden
aan de Tweede Kamer (nr. 28 197). De leden 4 en 5 van
artikel 196c van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek
regelen de aansprakelijkheid van de ISP. Het
wetsvoorstel hanteert dezelfde standaard als de
Radikal-zaak.
De ISP moet informatie blokkeren als aan de
kennisgeving in redelijkheid niet kan worden
getwijfeld. Aan de juistheid van de kennisgeving niet
worden getwijfeld, wanneer de kennisgeving afkomstig
is van een rechter, of als de informatie onmiskenbaar
onrechtmatig is. Zoals blijkt uit het besproken
Radikal-vonnis, is informatie slechts in een beperkt
aantal gevallen 'onmiskenbaar onrechtmatig.'
Het Hof was in de Radikal-zaak van mening dat
beweerdelijke auteursrechtinbreuk en belediging niet
onmiskenbaar onrechtmatig zijn, maar aanwijzingen
voor het saboteren van een spoorweg wel.
Dit uitgangspunt is herhaald door de minister in zijn
antwoorden op vragen over de aansprakelijkheid van
tussenpersonen op het internet van 16 juli 2003 (25
880, nr. 14, p. 5). De minister verwijst hierbij naar
het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 juni 1999
in de Scientology-zaak, dat echter op 4 september
2003 is vernietigd, en het is daarom de vraag of de
uitspraak van de minister nog steeds relevant is.
Deze gids gaat er echter vanuit dat dit criterium nog
steeds richtinggevend is, omdat de verwijzing naar de
vernietigde uitspraak slechts als illustratie kan
worden opgevat.
De ISP is in principe niet verplicht de website van
een abonnee vooraf te controleren. Een dergelijke
controleplicht is al snel in strijd met de privacy
van de gebruiker, en met de vrijheid van
meningsuiting.
De ISP moet abonnees slechts vooraf controleren als
de ISP 'gegronde reden heeft te twijfelen aan de
rechtmatigheid van de bij hem opgeslagen informatie
in verband met de gerechtvaardigde belangen van
derden.' Dit blijkt uit de Memorie van
Toelichting bij het wetsvoorstel ter implementatie
van de Richtlijn Elektronische Handel:
In het algemeen is de [ISP] niet gehouden tot
bepaalde vormen van controle vooraf op de bij hem
opgeslagen informatie (vergelijk ook artikel 15 lid
1 van de richtlijn). Een zekere onderzoeksplicht
kan wel bestaan in bijzondere gevallen, waarin de
dienstverlener gegronde reden heeft te twijfelen
aan de rechtmatigheid van de bij hem opgeslagen
informatie in verband met de gerechtvaardigde
belangen van derden (vergelijk preambule 48).
De Memorie van Toelichting geeft niet
aan wanneer sprake is van een 'gegronde
reden.' Ook is nog geen uitspraak bekend waarin
de rechter dit begrip uitlegt.
Nee, een provider mag niet zomaar de gegevens van
zijn abonnees afstaan. Dit is ten eerste in strijd
met het grondrecht op privacy van de abonnees. De
provider handelt echter ook in strijd met de Wet
Bescherming Persoonsgegevens (Wbp) en de
Telecommunicatiewet (Tw). Tot slot kan de provider
handelen in strijd met het contract tussen de
provider en de abonnee, afhankelijk van de bepalingen
die in het contract staan. Slechts in beperkte
gevallen, die hieronder worden behandeld, mag de ISP
de gegevens van een abonnee bekend afstaan aan een
ander.
Overigens wordt hier niet ingegaan op de bevoegdheid
van de politie om NAW-gegevens te vorderen bij de
rechter.
Gerechtelijk bevel
Ten eerste mag, en moet, de provider de gegevens
afstaan als de rechter hiertoe heeft bevolen. Een
belanghebbende moet dit bij de rechter verzoeken; dit
gebeurt meestal in combinatie met een vordering tot
blokkering van bepaalde beweerdelijk onrechtmatige
bestanden op de webserver van de provider. Als een
rechthebbende aan de rechter bijvoorbeeld vraagt om
XS4ALL te bevelen de gegevens van een gebruiker vrij
te geven, dan is XS4ALL verplicht om zo een bevel op
te volgen.
Overigens blijkt uit het wetsvoorstel ter
implementatie van de Richtlijn Elektronische Handel
dat de rechter de ISP enkel mag verplichten tot het
afgeven van de gegevens van de abonnee als de ISP in
een 'contractuele relatie' staat tot de
abonnee. Als de ISP de gegevens op een andere manier
heeft verkregen kan de rechter de ISP niet
verplichten tot het vrijgeven van de gegevens. De ISP
kan gegevens bijvoorbeeld op een andere manier
verkrijgen doordat hij internetverkeer doorgeeft dat
van een andere ISP afkomstig is.
De rechter beveelt hiertoe pas, als komt vast te
staan dat de gegevens niet op een andere, minder
ingrijpende wijze kunnen worden achterhaald. Dit
blijkt uit de uitspraak van de voorzieningenrechter
van de rechtbank Utrecht van 9 juli 2002 in de zaak
TeleAtlas/Planet Media Groep. TeleAtlas produceert
een computerprogramma en geeft dit uit op CD-Rom. Een
abonnee van Planet internet biedt op de online
veiling eBay inbreukmakende kopieën van dit
programma aan. De abonnee is te bereiken op een
bepaald e-mail adres, dat Planet Internet beheert.
TeleAtlas vordert bij Planet Internet de gegevens van
de abonnee met dat e-mail adres. De rechter wijst de
vordering af, omdat eerst vast dient te staan dat
Teleatlas de gegevens niet op een andere, minder
ingrijpende wijze kan achterhalen.
Onmiskenbaar onrechtmatig
Ook is de ISP in sommige gevallen verplicht om de
gegevens van zijn abonnees te bekend te maken,
zónder dat de rechter hieraan te pas komt. De
zaak Rutloh/Concept ICT van het Hof Den Bosch van 25
juli 2002 geeft hiervoor het uitgangspunt.
'Er bestaat geen algemene rechtsregel op grond
waarvan een ISP zo spoedig mogelijk nadat zij
kennis heeft gekregen van onrechtmatige handelingen
verplicht is mee te werken aan het ter beschikking
stellen van gegevens die nodig zijn om vast te
stellen wie voor die handelingen verantwoordelijk
is.'
Omdat in die zaak het account van de
gebruiker is afgesloten, en niet is gebleken dat de
onrechtmatige handelingen nog werden verricht, hoefde
de ISP de gegevens niet te verstrekken. Het Hof
Amsterdam formuleerde in de Radikal-zaak echter een
uitzondering op dit beginsel. De ISP moet
abonnee-gegevens direct bekendmaken aan degene die
schade lijdt als:
- de gepubliceerde informatie onmiskenbaar
onrechtmatig is en,
- de gegevens nodig zijn ter voorkoming, dan wel
beperking, van verdere kansen op aanzienlijke schade.
Dit is bijvoorbeeld het geval als aannemelijk is dat
de abonnee zal trachten de informatie via andere
websites te publiceren, en dit kan leiden tot
aanzienlijke schade.
Het Hof was in de Radikal-zaak van mening dat deze
plicht tot vrijgifte van de persoonsgegevens niet in
strijd is met de Wbp, omdat deze wet een uitzondering
schept 'ter bescherming van de rechten en vrijheden
van anderen en ter voorkoming van strafbare
feiten.'
Pessers/Lycos
In het
vonnis van de Voorzieningenrechter van 11 september
2003 in Pessers/Lycos is deze plicht van ISPs om
persoonsgegevens af te staan zonder tussenkomst van de
rechter verder uitgewerkt. De rechter kiest hier een
andere weg dan in de hierboven besproken
Radikal-zaak.
Pessers handelt in postzegels via eBay. Een anonymus
publiceert op http://members.lycos.nl/ een website,
waarin hij of zij Pessers van fraude beticht en tevens
oproept om gevallen van fraude te melden bij een
bepaald e-mailadres. Pessers sommeert op 1 augustus
2003 aan Lycos om de website ontoegankelijk te maken,
maar Lycos voldoet niet aan dit verzoek. Een verzoek om
de beschuldigingen te verwijderen aan het e-mailadres
dat op de website staat vermeld heeft wel effect: vanaf
4 augustus 2003 meldt de site ''Site remove to
avoid legal actions!!''
Ondanks dat de informatie is verwijderd vordert Pessers
om naam, adres en geboortedatum van de betreffende
websitehouder bekend te maken. De rechter oordeelt dat
een provider 'gehouden kan zijn om zijn medewerking
te verlenen als hij ervan in kennis wordt gesteld dat
een van de gebruikers van zijn computersysteem door
middel van diens homepage onrechtmatig handelt,' en
als:
- er een belang is dat verstrekking van
NAW-gegevens rechtvaardigt,
- de ernst van de inbreuk opheffing van de
anonimiteit rechtvaardigt,
- het doel dat met de verstrekking wordt
nagestreefd niet langs andere, minder ingrijpende
weg - zonder opheffing van de anonimiteit - kan
worden bereikt en
- de verstrekking in de mate die is beoogd
evenredig is aan het nagestreefde doel
In dit geval was sprake van een
zwaarwegend belang, en een ernstige inbreuk: Pessers
zou schade lijden aan zijn postzegelhandel, en hij zou
deze schade willen terugvorderen. Pessers heeft
voldoende via alternatieve wegen geprobeerd om de
gegevens te achterhalen --- maar de rechter zegt niet
welke wegen. Tot slot acht de rechter de verstrekking
ook evenredig aan het beoogde doel, zonder dat hij hier
verder op ingaat. Hij gebiedt Lycos om de gegevens af
te staan.
U kunt het volgende van een ISP verwachten.
- In eerste instantie is de abonnee aansprakelijk
voor de inhoud van zijn website.
- Een provider blokkeert niet zomaar uw website, en
zegt uw contract niet zomaar op.
- Een partij kan via een kennisgeving de ISP
verzoeken om bepaalde informatie te blokkeren. De ISP
moet deze informatie blokkeren als aan de juistheid
van de kennisgeving in redelijkheid niet kan worden
getwijfeld. De kennisgeving moet informatie bevatten
over de plek waar het inbreukmakende materiaal is te
vinden, en de reden waarom het materiaal onrechtmatig
is.
- In twee gevallen kan aan de juistheid van de
kennisgeving in redelijkheid niet worden getwijfeld:
als de kennisgeving afkomstig is van de rechter, en
als de informatie 'onmiskenbaar onrechtmatig'
is. Informatie die inbreuk maakt op het auteursrecht,
of beledigend is, is meestal niet onmiskenbaar
onrechtmatig.
- In de gevallen dat de informatie niet
onmiskenbaar onrechtmatig is, kan de ISP niet zomaar
tot blokkering van de betreffende website overgaan.
In verband met de vrijheid van meningsuiting dient de
ISP de gebruiker te contacteren opdat deze de
mogelijkheid heeft om op de klacht te reageren.
- De provider houdt uw NAW-gegevens geheim. De ISP
is verplicht om de gegevens van een abonnee bekend te
maken als de rechter hiertoe heeft bevolen. De ISP
kan verplicht zijn om zonder tussenkomst van de
rechter gegevens bekend te maken als de informatie
onmiskenbaar onrechtmatig is en de gegevens nodig
zijn ter voorkoming of beperking van verdere schade.
Ook kan de ISP verplicht zijn om de gegevens af te
staan als:
- er een belang is dat verstrekking van
NAW-gegevens rechtvaardigt,
- de ernst van de inbreuk opheffing van de
anonimiteit rechtvaardigt,
- het doel dat met de verstrekking wordt
nagestreefd niet langs andere, minder ingrijpende
weg - zonder opheffing van de anonimiteit - kan
worden bereikt en
- de verstrekking in de mate die is beoogd
evenredig is aan het nagestreefde doel.
- Het is niet de taak van de ISP de inhoud van de
websites van zijn gebruikers vooraf op onrechtmatig-
of strafbaar materiaal te controleren, tenzij
hiervoor een gegronde reden bestaat.
Dat betekent natuurlijk niet dat alle ISPs zich
volgens de regels gedragen. De ene ISP gaat slordiger
om met zijn klanten dan de andere, en het is verstandig
om onderzoek te doen naar de reputatie van een ISP
voordat u een ISP kiest.
Het leggen van een hyperlink is slechts in
uitzonderingsgevallen onrechtmatig, aldus De Hoge
Raad in haar arrest van 22 maart 2002
(NVM/Telegraaf). Overigens behandelt deze handleiding
alleen de aansprakelijkheid voor de link - dus niet
de aansprakelijkheid voor framing of deeplinking.
De rechtbank Den Haag heeft in de bodemprocedure van
de Scientology-zaak geoordeeld dat het onrechtmatig
is om een hyperlink te publiceren naar informatie die
onmiskenbaar onrechtmatig is. Deze uitspraak
is in hoger beroep echter vernietigd, en dit
criterium geldt waarschijnljk niet meer.
In de Indymedia-zaak was de rechter van oordeel dat
het leggen van een hyperlink naar materiaal waarvan
de rechter heeft geoordeeld dat het
onmiskenbaar onrechtmatig is, zelf onrechtmatig
is.
Het is dus niet zeker of het publiceren van een
hyperlink naar onmiskenbaar onrechtmatig materiaal
zelf onrechtmatig is.
Relevante omstandigheden die kunnen meespelen bij de
beoordeling van de onrechtmatigheid van het aanbieden
van een hyperlink zijn, aldus de Hoge Raad in
NVM/Telegraaf:
- dat de gelinkte informatie zonder betaling ter
beschikking van iedere individuele internetgebruiker
wordt gesteld,
- dat, gelet op de wijze van aanbieding, niet
aannemelijk is dat het publiek wordt misleid omtrent
de herkomst van de aangeboden informatie of dat
verwarring zal ontstaan, terwijl evenmin aannemelijk
is dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de goede
naam van de gelinkte website.
In de Indymedia-zaak hechtte de rechter ook belang
aan de omstandigheid dat de begeleidende teksten bij de
hyperlinks de lezer uitdrukkelijk oproepen om naar de
onrechtmatige artikelen te gaan en hen daarbij de
benodigde instructies geeft. Dit kan bijdragen aan de
onrechtmatigheid.
Hieronder worden de zaak-Scientology en de
zaak-Indymedia besproken.
In de zaak Scientology/XS4ALL is het linken naar
onrechtmatig materiaal voor het eerst aan de orde
gekomen. Deze uitspraak is echter in hoger beroep
door het Hof Den Haag op 4 september 2003 vernietigd,
en het is de vraag wat de waarde is van deze
uitspraak.
Scientology vorderde in de bodemprocedure onder
andere een verklaring voor recht dat het publiceren
van een link naar inbreukmakend materiaal
onrechtmatig is. De rechtbank wijdt in haar uitspraak
van 9 juni 1999 een uitgebreide passage aan de
aansprakelijkheid van ISPs voor onrechtmatig
materiaal dat op hun systeem beschikbaar is. Volgens
de rechtbank was 'in dit verband niet van belang
of de informatie toegankelijk is via een
"internet-adres" of via een
hyperlink.'
De rechtbank verklaart voor recht dat de publicatie
door een ISP van een ongeautoriseerde 'link'
naar inbreukmakend materiaal onrechtmatig is, als de
ISP hiervan op de hoogte is gesteld en niet zo
spoedig mogelijk de link verwijdert.
Omdat deze uitspraak is vernietigd is dit criterium
waarschijnlijk niet relevant.
Deutsche Bahn/Indymedia is de meest recente
rechtszaak over de hyperlink. Nadat de rechter aan
XS4ALL gebood om twee artikelen van een website van
haar abonnee te verwijderen publiceren een aantal
andere sites, zogenaamde mirrors, de gewraakte
artikelen. Indymedia, een onafhankelijk
media-platform, publiceert een artikel over dit
vonnis, waarbij de reacties van lezers op het artikel
onder het artikel worden gepubliceerd. Een paar
reacties bevatten hyperlinks naar de mirrors, met een
instructie over de manier waarop de lezer de
Radikal-artikelen kan bereiken.
Op 22 april 2002, een week nadat de
voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat XS4ALL de
artikelen dient te verwijderen, verzoekt DB aan
Indymedia om de toegang te blokkeren tot de mirrors.
Omdat Indymedia dit weigert vordert DB bij de rechter
dat Indymedia de informatie verwijdert die
onrechtmatig is jegens DB, 'daaronder begrepen
hyperlinks'.
Op 20 juni 2002 doet de voorzieningenrechter van de
Rechtbank Amsterdam uitspraak. Omdat de rechter al
eerder heeft besloten dat de artikelen onrechtmatig
zijn is nu alleen aan de orde of van Indymedia kan
worden gevergd dat zij de hyperlinks die leiden tot
de onrechtmatige informatie verwijdert.
De rechter maakt geen onderscheid tussen het
publiceren van onrechtmatige informatie, en het
publiceren van een hyperlink naar die informatie.
Daarbij hecht de rechter wel bijzondere aandacht aan
de omstandigheid dat de begeleidende teksten bij de
hyperlinks de lezer ook uitdrukkelijk oproepen naar
de onrechtmatige artikelen te gaan en hen daarbij de
benodigde instructies geeft.
De rechter wijst de vordering toe, en gebiedt
Indymedia om de gepubliceerde links voor zover deze
hyperlinks direct, of indirect, leiden tot de
Radikal-artikelen te verwijderen. Een strikte
interpretatie van dit verbod betekent dat men niet
een link naar een link naar een link naar
onmiskenbaar materiaal mag publiceren. Dat zou
natuurlijk een onmogelijke opdracht zijn, en een meer
redelijke interpretatie van dit vonnis is dat men
niet opzettelijk mag linken naar onmiskenbaar
onrechtmatig materiaal.
Indymedia is niet in beroep gegaan.
Nee, een mededeling dat het verboden is om een
hyperlink naar een bepaalde website aan te brengen
heeft geen bindende kracht, als u alleen een
hyperlink aanbrengt.
Sommige websites stellen dat men niet zonder
toestemming naar die website kan linken. De
Nederlandse rechter heeft nog niet uitgemaakt of u,
als u desondanks linkt naar de betreffende website,
toch aansprakelijk gehouden kan worden.
Zoals blijkt uit de NVM/Telegraaf-zaak is linken
echter in beginsel toegestaan. Bij de beoordeling van
de onrechtmatigheid speelt een rol of de website voor
het publiek zonder vergoeding toegankelijk is. Daarom
zal de rechter niet snel de ongeautoriseerde linker
aansprakelijk houden, die linkt naar een website die
gewoon toegankelijk is, en geen onrechtmatig
materiaal publiceert.
Men kan gebruik maken van kritische domeinnamen,
zoals stopshell.nl en fordsucks.com om
actie te voeren. Wat zijn uw rechten en plichten in
dat geval?
Het gebruik van een kritische domeinnaam met een merk
als bestanddeel, door een vereniging met een
ideëel doel is waarschijnlijk toegestaan. Het
gebruik van een kritische domeinnaam om echte kritiek
te leveren op, of te informeren over een bedrijf, is
ook waarschijnlijk toegestaan, als verwarring over de
herkomst van de domeinnaam wordt vermeden, zo blijkt
uit de UDRP-beslissingen.
Daarnaast is het belangrijk dat men tracht om
verwarring te voorkomen, door de website zo in te
richten dat direct duidelijk is dat de website
afkomstig is van critici van het betreffende bedrijf
of organisatie, zo blijkt uit de uitspraak van het
Hof Amsterdam in IJff/Staat (paragraaf 4.1.5).
Het is echter niet toegestaan om door middel van
metatags, hyperlinks en domeinnamen een
buitenproportionele aandacht te vestigen op het
bedrijf waarop kritiek wordt geleverd, zo blijkt uit
de zaak Constance Sars (paragraaf 4.1.3).
Artikel 13A lid 1 sub a de Benelux Merken Wet (BMW)
beschermt de merkhouder tegen het gebruik van
eenzelfde teken ter aanduiding van
dezelfde waren of diensten. Lid 1 sub b van de
BMW beschermt de merkhouder tegen het gebruik van een
overeenstemmend teken ter aanduiding van
soortgelijke waren of diensten. Lid 1 sub c
beschermt de merkhouder tegen het gebruik van een
overeenstemmend teken ter aanduiding van
niet-soortgelijke producten. Als een kritische
domeinnaam wordt gebruikt om kritiek te leveren op,
of om informatie aan te bieden over een bepaald
product, zijn deze drie leden waarschijnlijk niet van
toepassing. Men duidt dan immers geen product of
dienst aan.
Artikel 13A lid 1 sub d van de BMW beschermt de
merkhouder echter tegen het gebruik van een
overeenstemmend teken anders dan ter
onderscheiding van waren. Als het gebruik
ongerechtvaardigd voordeel trekt, of afbreuk doet aan
het onderscheidend vermogen of de reputatie van het
merk dan kan de merkhouder zich verzetten tegen het
gebruik. De belangrijke vraag in dit verband is, of
het gebruik van een merk in een kritische domeinnaam
afbreuk doet aan het onderscheidend vermogen of de
reputatie van het merk. Hierover is nog geen
jurisprudentie bekend.
Het Hof Amsterdam overwoog in een van de Betuweroute
zaken, die hieronder in paragraaf 4.1.5 wordt besproken, dat het voor
internetgebruikers van algemene bekendheid is dat bij
internetadressen en domeinnamen kleine verschillen
van groot belang zijn, omdat een geringe wijziging
van de schrijfwijze naar een andere website kan
leiden.
Tot slot is artikel 13A lid sub d niet van
toepassing, als het gebruik van het teken geschiedt
met een geldige reden. Of het leveren van kritiek op,
of informatie over een merk, aangemerkt moet worden
als een geldige reden is onduidelijk; hierover is ook
nog geen jurisprudentie bekend.
Artikel 13 van de BMW beschermt een merk tegen
ongeautoriseerd gebruik in het economisch
verkeer. Hieronder moet elke activiteit worden
verstaan waarmee economisch voordeel wordt beoogd,
aldus het Benelux Gerechtshof in het Tanderil-arrest
van 9 juli 1984. Het beogen van economisch voordeel
is niet noodzakelijkerwijs het hebben van
winstoogmerk, aldus de president van de rechtbank Den
Haag in haar uitspraak van 27 september 1994. Maar
gebruik door een vereniging met een ideëel doel
die geen commerciële activiteiten ontplooit, is
geen gebruik in het economisch verkeer, aldus de
president van de rechtbank Den Bosch in haar
uitspraak van 6 januari 1994.
Als een 'sucks'-domeinnaam geregistreerd is
door een vereniging met een ideëel doel, die
geen commerciële activiteiten ontplooit, dan is
minder snel sprake van merkinbreuk.
De enige Nederlandse uitspraak over een kritische
domeinnaam betreft het conflict tussen relatiebureau
Constance Sars en een klant. Omdat de vijf
bemiddelingen die Constance Sars heeft aangeboden
niet zijn bevallen vraagt een ontevreden klant zijn
geld terug. Constance Sars weigert dit, en vervolgens
registreert de klant de domeinnaam neuk.net,
waarop hij webpagina's publiceert met de naam
Constance Sars daarin verwerkt:
http://www.neuk.net/constancesars.html.
Vervolgens registreert hij de domeinnaam
constancesars.com, waarin hij zijn negatieve ervaring
met het bemiddelingsbureau beschrijft.
Constance Sars vordert dat de klant het gebruik van
haar naam staakt op het internet, en dat de kritiek
wordt verwijderd. De rechter overweegt hierover dat,
hoewel de klant het recht heeft om zijn ervaringen
Constance Sars openbaar te maken, bepaalde
omstandigheden dit recht kunnen beperken:
Als zodanig moet in dit geval gelden het gebruik
van de naam van Constance Sars als domeinnaam en
als onderdeel in de gewraakte websitenamen, en van
andere technieken, die dienst doen als zoekmiddel
in het internetverkeer. Door het gebruik dat
[gedaagde] maakt van de naam van Constance Sars,
namelijk door deze te gebruiken als domeinnaam of
als onderdeel van de naam van zijn site, als
metatag, hyperlink en dergelijke, is de aandacht
die hij op Constance Sars vestigt,
buitenproportioneel, nu dit tot gevolg heeft dat
Constance Sars via de diverse zoekmachines te pas
en te onpas aan searchers wordt gepresenteerd.
De ontevreden klant moet de website en
de domeinnaam uit de lucht halen. Men kan hieruit
opmaken dat het gebruik van een merk- of handelsnaam
in een kritische domeinnaam of webadres is
toegestaan, tenzij de aandacht die men vestigt op het
merk buitenproportioneel is.
4.1.4 De UDRP-beslissingen
De Internet Corporation for Assigned Names and
Numbers (ICANN) heeft in 1999 de Uniform Dispute
Resolution Policy (UDRP) aangenomen. De UDRP is een
procedure voor het beslechten van geschillen over
domeinnamen. De WIPO, een van de vier instituten die
door de ICANN is geautoriseerd om arbiters te
leveren, biedt op het internet een doorzoekbare
databank met de beslissingen op grond van de UDRP
(zie Wipo).
Op grond van de UDRP onderzoekt de arbiter of (1) de
domeinnaam te kwader trouw is geregistreerd en
gebruikt, of (2) verwarringsgevaar bestaat tussen de
domeinnaam en het merk ('confusingly
similar'), en (3) of de huidige registrant geen
rechtmatig belang heeft bij de domeinnaam. Is dit het
geval, dan beslist de arbiter dat de domeinnaam moet
worden overgedragen.
Een aantal UDRP-geschilbeslechtingsprocedures betreft
een merk met een 'sucks' achtervoegsel. Deze
beslissingen zijn te vinden in de Wipo
databank.
Een van de vragen die de arbiter in deze gevallen
steeds tracht te beantwoorden, is of het
achtervoegsel 'sucks' leidt tot verwarring
bij de websurfer. Hoewel de WIPO-arbiters in de
meeste zaken hebben besloten dat een 'sucks'
domeinnaam 'confusingly similar' is, hebben
zij in vier gevallen het tegenovergestelde besloten
( mclanenortheastsucks.com,
wallmartcanadasucks.com,
lockheedmartinsucks.com en
asdasucks.com). Zo is de arbiter in de recente
zaak asdasucks.com van mening dat geen gevaar
voor verwarring bestaat, want:
Internet users will be well aware that a domain name
with a '-sucks' suffix does not have the
approval of the relevant trade mark owner.
Zelfs als de domeinnaam 'confusingly
similar' zou zijn, dan nog kan de houder van een
'sucks'-domeinnaam een rechtmatig belang hebben
- de derde factor. Zo overweegt de arbiter in de
recente zaak philipssucks.com, waarin de
domeinnaam overigens wel overgedragen moest worden,
dat:
It does not follow from this approach that the
registration of any domain name comprising a famous
brand followed by "sucks.tld" can be
successfully challenged under the Policy. If such a
domain name is genuinely registered and used for the
purposes of criticism of the brand, the second and
third requirements which the Complainant has to
establish will not be met. The Policy is directed
against abusive registration of domain names; not
free speech.
Sommige UDRP-arbiters achten het
registreren een 'sucks'-domeinnaam dus
rechtmatig. Als de domeinnaam is geregistreerd om
kritiek te leveren op het betreffende merk, en de
websitehouder verwarring tracht te voorkomen, dan kan
dit toelaatbaar zijn onder de UDRP-geschillenregeling.
Als een domeinnaam echter alleen wordt gebruikt om een
hyperlink te publiceren naar de website van de
merkhouder dan wordt geen echte kritiek geleverd, en is
daarnaast sneller sprake van verwarring. Een dergelijk
gebruik van de domeinnaam is daarom waarschijnlijk in
strijd met de UDRP-regeling.
Tot slot zijn de perikelen rondom het domein
betuwe-route.nl aanleiding geweest voor een
tweetal rechtszaken die in dit verband van belang
zijn.
De Amsterdamse Koen IJff voert actie tegen de aanleg
van de betuweroute-spoorlijn. In het kader van deze
actie registreert hij de aanduiding
'Projectorganisatie Betuweroute' als
handelsnaam en als merk. Ook registreert hij de
domeinnaam betuwe-route.nl (met streepje). De
Nederlandse Staat hanteert echter al langer dezelfde
aanduiding 'Projectorganisatie Betuweroute'
in het kader van de aanleg van de betreffende
spoorlijn, en de domeinnaam betuweroute.nl
(zonder streepje). Op 5 januari 2001 deponeert de
Staat daarnaast de merknaam Betuweroute. In kort
geding vordert de Staat bij de Amsterdamse president
van de rechtbank dat IJff, kort gezegd, het gebruik
van de aanduiding Betuweroute en Projectorganisatie
Betuweroute staakt, inclusief de de domeinnaam.
De Amsterdamse president wijst de vordering op 1
maart 2001 toe. Hiertegen gaat IJff in beroep, en op
15 november 2001 doet het Hof Amsterdam
uitspraak.
Het Hof bevestigt de overwegingen van de Amsterdamse
president met betrekking tot het gebruik van de
handelsnaam 'Projectorganisatie Betuweroute'.
Echter, het gebruik van de domeinnaam
betuwe-route.nl is niet misleidend en sticht
geen verwarring, omdat na aankomst op de website
direct duidelijk wordt gemaakt dat het gaat om
informatie die afkomstig is van critici van de
betuweroute, en is daarom toelaatbaar. Het Hof
overweegt daarbij dat de term 'Betuweroute'
beschrijvend van aard is, en in verschillende vormen
en voor andere doeleinden wordt gebruikt.
Inmiddels daagt de Staat in kort geding ook de
Stichting Jongeren Milieu Producties (SJMP) voor de
rechtbank Utrecht. Dit is dus de tweede procedure
over de domeinnaam betuweroute. Zij vordert ditmaal
dat de houder van de domeinnaam, SJMP, de domeinnaam
betuwe-route.nl overdraagt aan de Staat. De
SJMP zou onrechtmatig handelen door de domeinnaam te
registreren en te gebruiken voor kritiek op de aanleg
van de Betuwelijn.
Op 12 april 2001 doet de president van de rechtbank
Utrecht in deze zaak uitspraak. Volgens de president
is het gebruik van de domeinnaam in dit geval niet
aan te merken als een onrechtmatige daad. De maatstaf
voor de beoordeling van de onrechtmatigheid is, of de
bezoekers van de website met de onderhavige
domeinnaam zullen verwachten dat zij op die website
van de overheid of van Railinfrabeheer afkomstige
informatie met betrekking tot de aanleg van de
Betuwelijn zullen aantreffen.
Deze vraag moet negatief worden beantwoord. Het
begrip "betuwe-route" kan immers meerdere
betekenissen hebben onder meer verband houdende met
de streek de Betuwe en behoeft niet
noodzakelijkerwijs geassocieerd te worden met de
aanleg van de bewuste spoorlijn. Dit wordt ook
bevestigd door de in het geding gebrachte
overzichten van zoekprogramma's op internet
waarbij betuwe-route als trefwoord is opgegeven.
Hieruit blijkt dat er allerlei websites van zeer
verschillende instellingen/groeperingen informatie
verschaffen onder een vergelijkbare benaming.
Reeds hierom kan er van de gestelde
"verwatering" van en "afbreuk"
aan de naam en reputatie van de Staat geen sprake
zijn. Evenmin kan door het gebruik dat de Stichting
van de domeinnaam maakt, de door de Staat en
Railinfrabeheer gestelde verwarring worden gewekt.
Hierbij wordt nog opgemerkt dat de Stichting de
informatie zodanig op haar website presenteert dat
het terstond duidelijk is dat men niet met een
website van de Staat of Railinfrabeheer te maken
heeft.
De president weigert de gevraagde
voorzieningen.
De Staat gaat hiertegen in beroep, en op 28 februari
2002 volgt de uitspraak van het Hof Amsterdam. Zij
overweegt allereerst dat de overheid een beroep op
het handelsnaamrecht niet baat, omdat voorlichten en
het leveren van kritiek niet is aan te merken als het
voeren van een handelsnaam.
Ook een beroep op het verbod op misleidende reclame
kan niet baten, omdat de Stichting de mededelingen op
haar website niet in de uitoefening van een beroep of
bedrijf aanbiedt, doch uitsluitend ter verbreiding
van haar ideële of politieke denkbeelden.
Vervolgens beoordeelt het Hof of het registreren van
de domeinnaam wellicht is aan te merken als een
handelen in strijd met een maatschappelijke
zorgvuldigheidsnorm. Omdat de term Betuweroute in
veel meer situaties wordt gebruikt acht het Hof het
niet waarschijnlijk dat de burger deze term in het
bijzonder associeert met het project van de Staat.
Ook overweegt het Hof:
Het is immers voor internetgebruikers van algemene
bekendheid dat bij internetadressen en domeinnamen
kleine verschillen van groot belang zijn, omdat een
geringe wijziging van de schrijfwijze naar een
andere website kan leiden.
Ook is het gebruik van betuwe-route.nl
als domeinnaam door de Stichting niet verwarrend of
misleidend volgens het Hof:
Daarbij moet worden bedacht, dat door degene, die
de website van de Staat en Railinfrabeheer bezoekt,
als domeinnaam veelal eerst betuweroute.nl zal
worden geprobeerd, waardoor deze in eerste
instantie niet op de website van de Stichting
terechtkomt. Bovendien geeft de website van de
Stichting, voor het geval iemand toch ongewild
daarop terecht zou komen, onmiddellijk aan, dat het
gaat om informatie die niet van de overheid, maar
van critici afkomstig is, en wordt op de website
van de Stichting naar de website van de Staat en NS
Railinfrabeheer verwezen.
Het Hof bekrachtigt het vonnis.
Wanneer is het sturen van e-mails met een politieke
boodschap, hetzij naar Kamerleden, hetzij naar
anderen, onrechtmatig? Het kan onrechtmatig
hinderlijk zijn om grote hoeveelheden e-mails met een
politieke boodschap te zenden naar ontvangers die
geen voorafgaande toestemming hebben gegeven. Deze
onrechtmatigheid hangt af van:
- de aard van de hinder;
- de ernst van de hinder;
- de duur van de hinder;
- de aangebrachte schade;
- de verdere omstandigheden van het geval.
Het is daarnaast verstandig om het betreffende
bericht niet te vaak te sturen, maar bijvoorbeeld
periodiek een e-mail te sturen over de hoeveelheid
steunbetuigingen die via de website zijn
binnengekomen.
Dit alles blijkt uit de uitspraak van de
voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 13
september 2002 in de zaak van de Vitaminedokter
Mathias Rath.
De Vitaminedokter-zaak
Dr Matthias Rath, producent van vitaminepreparaten,
verzet zich tegen Europese regelgeving die de handel
in vitaminepreparaten beperkt. Hiertoe stuurt hij
ongeveer 604 miljoen mailtjes via zijn website naar
de Kamerleden. Pogingen om de spam te blokkeren
leiden tot een vertraging van een half uur in de
e-mailcommunicatie, en systeembeheerders bestrijden
het probleem full-time. Omdat de Staat kosten maakt
om de e-mail van Rath uit de e-mailboxen te weren
verzoekt zij Rath om zijn e-mailactie te staken. Rath
geeft aan dit verzoek geen gehoor, en de Staat
verzoekt de voorzieningenrechter van de rechtbank
Almelo om Rath te verbieden deze mail te zenden. De
rechter wijst het verbod toe op 13 november 2002.
Rath gaat hiertegen in beroep en op 4 februari 2003
doet het Hof Arnhem uitspraak.
Het Hof gaat met name in op de vraag of het versturen
van grote hoeveelheden ongevraagde e-mail is aan te
merken als onrechtmatige hinder. Het Hof
overweegt:
Het antwoord op de vraag of het toebrengen van
hinder onrechtmatig is hangt af van de aard, de
ernst en de duur van de hinder en de daardoor
aangebrachte schade in verband met de verdere
omstandigheden van het geval (zie Hoge Raad 18
september 1998, NJ 1999/69). Naar het voorlopig
oordeel van het hof is in het onderhavige geval
sprake geweest van onrechtmatige hinder. De aard
van de hinder was het verzenden van enorme
hoeveelheden (6.000.000) van steeds dezelfde
boodschap, hetwelk geen redelijk doel diende, omdat
eenvoudig had kunnen worden gekozen voor veel
minder belastende alternatieven, zoals het eenmalig
of enkele malen verzenden van het bericht aan alle
leden van de Tweede Kamer en daarbij periodiek
laten weten hoeveel adhesie-betuigingen er zijn
voor het eigen standpunt.
Een e-mail campagne van zes maanden,
waarbij de systeembeheerders vergaande stappen moeten
nemen om de spam te weren, en waarbij de opzet
bestond om hinder toe te brengen, acht de rechtbank
onrechtmatig. Het Hof bekrachtigt het vonnis van de
voorzieningenrechter.
De wet
Het platleggen van een computersysteem in het kader
van een politieke e-mail campagne is dus zeer
waarschijnlijk onrechtmatig, en kan via
privaatrechtelijke weg worden aangepakt. Het is ook
mogelijk dat het platleggen van een computersysteem
in strijd is met de artikelen 161sexies en 161septies
van het Wetboek van Strafrecht. De artikelen
verbieden, kort gezegd, het stoornis veroorzaken in
enig geautomatiseerd werk voor opslag of verwerking
van gegevens. Het sturen van zoveel mail dat hierdoor
de netwerken van een provider worden geblokkeerd
kunnen dus op grond van deze artikelen strafbaar
zijn.
Overigens verbiedt artikel 13 lid 1 van de Europese
richtlijn 2002/22/EG het ongevraagd verzenden van
e-mail met het oog op direct marketing, zonder dat de
ontvanger hiervoor voorafgaande toestemming heeft
gegeven. Artikel 11.7 lid 1 van het wetsvoorstel ter
wijziging van de Telecommunicatiewet implementeert
deze verplichting. Het verbod geldt niet alleen voor
commerciële communicatie, maar ook voor
boodschappen met ideële of charitatieve
doeleinden.
Artikel 5 van het onlangs aangenomen
Cybercrime-Verdrag (Trb. 2002, 18) verbiedt het
onrechtmatig hinderen van het functioneren van een
computersysteem door, onder andere, het verzenden van
data. Deze verdragsbepaling werkt waarschijnlijk niet
direct, en moet dus worden geïmplementeerd in
Nederlandse wetgeving voordat zij zal gelden. Als
Nederland echter wetgeving aanneemt om aan deze
verplichting te voldoen zal het platleggen van een
server ook op grond van deze bepalingen strafbaar
zijn.
Tot slot kan het wetsvoorstel Computercriminaliteit
II van belang worden, als dit wordt aangenomen (nr.
26 671). Dit bevat een voorstel voor een artikel 138b
van het Wetboek van Strafrecht, dat het opzettelijk
en wederrechtelijk, door tussenkomst van een openbaar
telecommunicatienetwerk of een openbare
telecommunicatiedienst, aan een ander gegevens
toezenden die zijn bestemd om diens toegang tot dat
netwerk of die dienst te belemmeren, strafbaar zou
stellen.
6.1 Wat is een voorlopige voorziening?
Een voorlopige voorziening is een verkorte
gerechtelijke procedure. Een eiser kan door middel
van een voorlopige voorziening binnen korte termijn
een maatregel, zoals een publicatieverbod, vorderen
bij de rechter, terwijl hij of zij een bodemprocedure
aanhangig maakt bij de rechter.
6.2 Wat is intellectuele eigendom?
Men gebruikt de term 'intellectuele eigendom'
ter aanduiding van het rechtsgebied dat gaat over
exclusieve rechten op informatie. Belangrijke
onderdelen van de intellectuele eigendom zijn het
auteursrecht, het merkenrecht en het octrooirecht.
Overigens spreken juristen van 'de'
intellectuele eigendom, in plaats van 'het'
intellectueel eigendom.
6.3 Wat is het auteursrecht?
De Nederlandse Auteurswet regelt het Nederlandse
auteursrecht. Het auteursrecht is, aldus artikel 1
van de Auteurswet:
het uitsluitend recht van den maker van een werk
van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens
rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te
verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de
wet gesteld.
Kort gezegd betekent het dat men de
toestemming nodig heeft van de rechthebbende om een
kopie van het werk te publiceren of te kopiëren.
Op dit beginsel bestaan belangrijke uitzonderingen,
zoals het recht om een kopie te maken voor
thuisgebruik, of een gedeelte van een werk te
kopiëren bij wijze van citaat.
6.4 Wat is een werk?
Een 'werk' is term die wordt gebruikt ter
aanduiding van een object waar auteursrecht op rust.
Een liedje, of een boek, is dus een werk.
6.5 Wat is een rechthebbende?
Een rechthebbende is degene die het auteursrecht
heeft op een bepaald werk. Soms bestaan er meerdere
rechthebbenden; als men bijvoorbeeld samen een boek
heeft geschreven. De term rechthebbende kan ook
worden gebruikt ter aanduiding van degene die het
octrooirecht heeft op een uitvinding, of het
merkrecht heeft op een merk.
6.6 Wat is een merkhouder?
Een merkhouder is degene die het exclusief recht
heeft op het gebruik van een merk. Men kan dit
exclusief recht verkrijgen door het merk te
deponeren.
6.7 Wat is een inbreukmaker?
Een inbreukmaker is iemand die inbreuk maakt op het
exclusieve recht van de rechthebbende. Als men
bijvoorbeeld zonder toestemming een boek publiceert
op het internet zonder dat men hiervoor toestemming
heeft, dan maakt men inbreuk op het auteursrecht van
de rechthebbende.
6.8 Hoe weet ik of ergens auteursrecht op
rust?
Het auteursrecht hoeft niet geregistreerd te worden -
het ontstaat door het werk te maken. Om
auteursrechtelijk beschermd te zijn moet het werk wel
voldoen aan het oorspronkelijkheidsvereiste. Dat
betekend dat het werk in bepaalde mate een eigen
karakter moet hebben. In de praktijk blijkt heel erg
veel door het auteursrecht beschermd te zijn; boeken,
foto's, schilderijen, maar ook stoelen en
computerprogramma's.
6.9 Hoe lang duurt het auteursrecht?
Het auteursrecht duurt tot 70 jaar na de dood van de
maker. Als de maker niet bekend is dan duurt het
auteursrecht tot 70 jaar na publicatie van het
betreffende werk (artt. 37-42 Auteurswet).
Artikel 1 van de Benelux Merkenwet definieert het
merk:
Als individuele merken worden beschouwd de
benamingen, tekeningen, afdrukken, stempels, letters,
cijfers, vormen van waren of van verpakking en alle
andere tekens, die dienen om de waren van een
onderneming te onderscheiden.
Evenwel kunnen niet als merken worden beschouwd
vormen, die door de aard van de waar worden bepaald,
die de wezenlijke waarde van de waar beïnvloeden
of die een uitkomst op het gebied van de nijverheid
opleveren.
In de praktijk kunnen een grote hoeveelheid tekens
dienen als merk, en veel tekens worden ook gebruikt
als merk. Beroemde voorbeelden van merken zijn de
woordmerken Philips en Nike.
6.11 Wat is
een handelsnaam?
'Onder handelsnaam verstaat deze wet de naam
waaronder een onderneming wordt gedreven', aldus
artikel 1 van de Handelsnaamwet. Een handelsnaam
hoeft niet te worden geregistreerd; door de naam te
'voeren' - gebruiken in de handel - ontstaat
de handelsnaam.
|