|
|
|
You never surf
alone
|
Vergevorderde plannen voor de gedwongen opslag van
verkeersgegevens in de telecommunicatie-sector
Artikel gepubliceerd in JAVI 2003-4, september 2003.
door Sjoera Nas
[Drs. S. Nas is werkzaam voor Bits of Freedom, een
stichting die opkomt voor digitale burgerrechten. Van 1998
tot en met 2002 was ze werkzaam bij internetprovider
XS4ALL, de laatste 3 jaar als woordvoerder en public
affairs officer.]
Op Europees niveau bestaan vergevorderde plannen voor
gedwongen opslag van verkeersgegevens in de
telecommunicatiesector, niet van specifieke verdachten,
maar van iedereen die gebruik maakt van telefonie of
internet. Zoals Wilfred Steenbruggen eerder uiteenzette in
zijn uitstekende artikel in dit tijdschrift ‘I know
what you did last summer!’ kan een dergelijke
bewaarplicht de toets aan het fundamentele recht op privacy
en het communicatiegeheim niet doorstaan.[1]
Hoewel Nederland zelf geen plannen zegt te hebben om een
algemene bewaarplicht in te voeren, worden wel in hoog
tempo drempels weggehaald die toegang tot die gegevens
bemoeilijken, zonder dat er maatregelen worden getroffen om
het gebruik inzichtelijk en controleerbaar te maken. Naast
het wetsvoorstel vorderen gegevens telecommunicatie[2] is
vooral de spoed-aanpassing van hoofdstuk 11 van de
Telecommunicatiewet (Tw) van belang.[3] Via het nieuw
voorgestelde artikel 11.12 worden de laatste
privacy-obstakels efficiënt weggebulldozered.
De mediastilte over dit onderwerp valt deels te verklaren
uit het ontbreken van een duidelijke omschrijving wat
verkeersgegevens eigenlijk zijn. Dat is de eerste vraag die
ik probeer te beantwoorden. Vervolgens ga ik in op het
minstens zo complexe juridische kader. Door vervolgens naar
de praktijk te kijken, naar wat telefoon- en
internetproviders gewoonlijk bewaren, wordt duidelijk hoe
groot de kloof is tussen theorie en praktijk.
De ontwikkelingen met betrekking tot verkeersgegevens
beperken zich niet tot Nederland. In de Europese raad van
ministers van justitie en binnenlandse zaken (de JBZ-raad)
wordt al minstens twee jaar gediscussieerd over een
mogelijke gestandaardiseerde bewaarplicht in alle
lidstaten. Een vragenlijst aan de lidstaten[4] over de
huidige en de gewenste bewaarverplichtingen wees uit dat
vrijwel alle landen voorstander zijn van een
geharmoniseerde Europese bewaarplicht.
Even dreigde de nieuwe E-communicatie Privacy Richtlijn
(2002/58/EG)[5] roet in het eten te gooien. De industrie
zou verplicht worden om alle gegevens onmiddellijk na
facturering te vernietigen of tenminste te anonimiseren.
Dat wisten de Europese haviken slim te verhinderen. Via een
last minute amendement werd de angel effectief uit de
richtlijn verwijderd. Het eindresultaat is onderwerp van
felle kritiek van privacy-watchdogs, zowel van het College
Bescherming Persoonsgegevens als het gaat om Nederland, als
de opinie van de Artikel 29 werkgroep, de associatie van
Europese privacytoezichthouders.
WAT ZIJN VERKEERSGEGEVENS ?
Die vraag lijkt makkelijk te beantwoorden. Verkeersgegevens
zijn gegevens over het communicatieverkeer, dus zonder de
inhoud. Volgens de huidige Telecommunicatiewet zijn het
‘gegevens betreffende het feitelijk gebruik van
telecommunicatienetwerken en –diensten’[6]. Na
de spoed-aanpassing van hoofdstuk 11 Tw luidt de nieuwe
definitie ‘gegevens die worden verwerkt voor het
overbrengen van de communicatie over een openbaar
telecommunicatienetwerk of voor de facturering
ervan.’[7]
Bij telefonie gaat het niet om de inhoud van het gesprek
maar om het tijdstip, het gebelde nummer en de duur van het
gesprek. Bij mobiele telefonie wordt het wat ingewikkelder.
Dan komt immers de locatie van het mobieltje bij de
verkeersgegevens, het SMS-verkeer en rekeningen die met een
mobieltje worden betaald.
Bij internet valt de scheiding tussen inhoud en verkeer,
tussen spraak en signalering al vrijwel niet meer te maken.
Neem bijvoorbeeld e-mail. Oppervlakkig gezien valt er nog
wel onderscheid te maken tussen header en inhoud, dat wil
zeggen tussen de envelop met de routeringsinformatie en het
bericht zelf. Alleen bevat de header ook een
onderwerpsbeschrijving, een hele handige samenvatting van
de inhoud.
Hetzelfde geldt in nog sterkere mate voor websites. Wie een
URL intypt, wordt naar een DNS-server geleid, een domain
name server. Die vertaalt de inhoudelijke vraag, het adres,
bijvoorbeeld www.bitsoffreedom.nl, in de nummerreeks
194.109.200.170. en leidt op basis daarvan door naar de
juiste computer. Strikt genomen is het dus mogelijk om
onderscheid te maken tussen de inhoudelijke vraag en de
nummerreeks van de computer, maar in werkelijkheid vormen
adres en reeks één onverbrekelijk geheel.
Als website-adressen al een goede indicatie geven van
iemands interesse, dan zijn zoektermen helemaal
privacy-gevoelig. Veel mensen staan er niet bij stil dat
hun zoektrefwoorden bij Google onderdeel worden van de URL.
Daarmee krijgen URL’s dezelfde intens
privacy-gevoelige betekenis als de leengeschiedenis bij een
bibliotheek, zonder een vergelijkbaar niveau van
bescherming.
Maar ook locatiegegevens verdienen bijzondere aandacht. Als
u mobiel belt, legt het toestel verbinding met het
dichtstbijzijnde basisstation. Geografisch bent u op dat
moment in een stedelijke omgeving tot op 150 meter
nauwkeurig te traceren. In landelijke gebieden kan de
afstand overigens enorm oplopen, tot een gebied van wel 30
kilometer. Maar in de stad kan de nauwkeurigheid via een
kruismeting tussen drie basisstations vergroot worden tot
bijna 100 meter en met behulp van extra
controle-instrumenten in het netwerk zelf stijgt de
precisie tot 50 meter. [8] Technisch is het daarmee dus
mogelijk om de gang van een mobiele beller zeer nauwkeurig
in kaart te brengen, inclusief bezoek aan locaties die iets
zeggen over gezondheid, geloof en politieke voorkeur zoals
ziekenhuizen, moskeeën en partijkantoren. Dit geldt
niet alleen voor mobieltjes waarmee echt gebeld wordt, maar
steeds vaker ook voor toestellen die gewoon aanstaan,
zonder dat er mee wordt gebeld. En die laatste toepassing
is met name voor marketeers zeer interessant. Bijvoorbeeld
om een SMS te sturen als u vlakbij een hamburgerrestaurant
bent, of een aanbieding van een warenhuis waar u
langsloopt. En dat is geen toekomstmuziek.
Onder de naam ‘Guardian angel’ test de Franse
firma Alcatel mobieltjes voor schoolgaande kinderen. De
ouders kunnen per automatische SMS gewaarschuwd worden als
kindlief meer dan 100 meter afwijkt van de afgesproken
route tussen huis en school.[9]. Dit voorjaar introduceerde
O2 in Nederland de dienst Spotter, waarbij vrienden per SMS
inzage kunnen krijgen in elkaars locatiegegevens. Vodafone
biedt bellende klanten in Duitsland met
‘Friendzone’ een vergelijkbare dienst.[10]
Maar het gaat natuurlijk niet alleen om schoolgaande
kinderen en vrienden. Het profiel wordt nog gedetailleerder
op het moment dat een mobieltje gebruikt wordt als
portemonnee, om bijvoorbeeld de parkeervergoeding te
voldoen [11] of om specifieke betaalde informatie op te
vragen. Waar mobiele telefonie overgaat in internet, zoals
bij GPRS en UMTS, wordt het logischerwijze alleen nog maar
ingewikkelder om een zuiver onderscheid te maken tussen
inhoud en signalering.
Samenvattend zijn er dus ten minste drie verschillende
soorten verkeersgegevens. In de eerste plaats de strikte
signaleringsgegevens uit de wereld van de telefonie, die de
routering en de duur van een gesprek betreffen. Vanuit de
mobiele telefonie zijn daar locatie en factureringsgegevens
bijgekomen. En specifiek voor internet bestaan er
inhoudelijke gegevens die een onverbrekelijk geheel vormen
met de routering.
Naar mijn mening zijn deze technische verschillen zo
fundamenteel, dat het ondoenlijk is om wetgeving te
formuleren die volledig techniekonafhankelijk is. Ik denk
dat het belangrijk is om privacy te laten prevaleren als
het gaat om gegevens die inhoudelijke informatie
prijsgeven. In veel gevallen zouden verkeersgegevens dus
even goed beschermd moeten worden als de inhoud van
communicatie.
HET JURIDISCHE KADER
De wetgever is helaas een andere mening toegedaan. Pogingen
om verkeersgegevens dezelfde grondwettelijke bescherming te
geven als het briefgeheim, zijn de afgelopen jaren
jammerlijk mislukt. Tamelijk consequent stellen wisselende
kabinetten zich op het standpunt dat verkeersgegevens
minder privacy-gevoelig zijn dan inhoud, en dat het
ondoenlijk is om allerlei categorieën gegevens te
onderscheiden[12].
De kern van de problematiek is de aanname dat er
onderscheid te maken zou vallen tussen bijzonder gevoelige
persoonsgegevens, die bescherming genieten onder de Wet
Bescherming Persoonsgegevens, tussen inhoud, die
grondwettelijke bescherming geniet en los daarvan
verkeersgegevens die geen aparte bescherming
verdienen.[13]
Ik beperk me nu tot de Telecommunicatiewet (Tw). Die regelt
zowel een bewaar- als een verwijderplicht voor
verkeersgegevens. Om met de bewaarplicht te beginnen: er
bestaat op dit moment geen algemene bewaarplicht voor
verkeersgegevens in Nederland. Er bestaat alleen
één hele specifieke verplichting voor
aanbieders van prepaid mobiele telefonie om locatiegevens
drie maanden te bewaren.
Via artikel 13.4, tweede lid Tw bestaat sinds eind 1998 de
mogelijkheid om AMvB’s uit te vaardigen met een
bewaarplicht van 3 maanden. Tot nog toe is er alleen een
AMvB gemaakt met een bewaarplicht voor de plaatsgegevens
van prepaid mobieltjes, en die is pas op 1 maart 2001 in
werking getreden. Opspoorders gebruiken dit archief om
achter het telefoonnummer te komen van het mobieltje. Als
een verdachte op tenminste twee plekken bellend is
gesignaleerd, kan het telefoonbedrijf terugzoeken in haar
archief welk nummer op die tijdstippen op die plek aan het
bellen was.
In alle andere gevallen staat het de communicatie-industrie
- binnen de beperkingen van artikel 11.5 Tw - vrij om
gegevens, na afwikkeling van de communicatie en
facturering, naar eigen goeddunken te wissen of te bewaren.
Volgens de logica van de privacy-bescherming moeten
persoonlijke gegevens verwijderd worden als ze niet meer
noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering. Maar die
verwijderplicht is in Nederland nooit goed gedefinieerd.
Via artikel 11.5, eerste lid, Tw zijn telecombedrijven
weliswaar verplicht om verkeersgegevens na beëindiging
van een oproep te verwijderen of te anonimiseren, maar tot
nog toe ontbrak een AMvB waarin de categorieën te
verwijderen gegevens omschreven zijn. [14]
Deze laksheid is Nederland op een infractieprocedure komen
te staan van de Europese Commissie. Via het recente
wetsvoorstel ter wijziging van hoofdstuk 11 Tw wordt dit
rechtgezet, waarbij tegelijk de e-Communicatie Privacy
Richtlijn wordt omgezet.[15]
Volgens het nieuwe artikel 11.5 Tw moeten aanbieders alle
verkeersgegevens na beëindiging van de oproep (zodra
ze niet meer nodig zijn voor de overbrenging van de
communicatie) verwijderen of anonimiseren. Het tweede lid
machtigt de aanbieders om verkeersgegevens te verwerken om
facturen te sturen, tot het einde van de wettelijke termijn
waarbinnen de factuur in rechte kan worden betwist. Verder
mogen aanbieders via het derde lid de gegevens gebruiken
voor marktonderzoek of verkoopactiviteiten. Tenslotte mogen
verkeersgegevens ook worden verwerkt voor de levering van
toegevoegde waarde diensten, mits de abonnee of gebruiker
daar expliciet toestemming voor heeft gegeven, en die
toestemming ook weer te allen tijde kan intrekken.
Keer op keer verzekeren zowel ambtenaren als politici het
publiek en de industrie dat er geen plannen bestaan voor
een verdergaande bewaarplicht voor verkeersgegevens in
Nederland. Het uitgangspunt blijft dat verkeersgegevens in
de telecomsector verwijderd moeten worden na gebruik en dat
opspoorders genoegen moeten nemen met het materiaal dat
toevallig beschikbaar is.
Maar ondertussen worden in hoog tempo waarborgen verwijderd
en toegangsdrempels gesloopt. Als er onverhoopt toch een
bewaarplicht komt, dan heeft elke officier van justitie
vrijuit toegang tot immense archieven met de elektronische
handel en wandel van elke burger. Zonder enige verplichting
tot publicatie van het aantal opvragingen en zonder
machtiging van een rechter-commissaris. Het laatstgenoemde
belangrijke controle-instrument in de huidige wetgeving
wordt effectief verwijderd via het wetvoorstel vorderen
gegevens telecommunicatie.[16]
Dat voorstel ligt inmiddels al bij de Eerste Kamer. De
Tweede Kamer is begin april zonder nadere discussie akkoord
gegaan. Via deze aanpassingen ontstaat eindelijk een
bevoegdheid om Naam-Adres-Woonplaats gegevens op te vragen
bij internetproviders. Tot nu toe is dat alleen mogelijk
als aanloop naar een internettap, gemachtigd door een
rechter-commissaris. Jammer genoeg lijkt de wetgever hier
volledig door te slaan. De bevoegdheid blijft niet beperkt
tot de circa 500 officieren van justitie die Nederland
telt, maar wordt meteen uitgebreid naar alle circa 40.000
opsporingsambtenaren.
Maar ik wil uit dit voorstel alleen de verkeersgegevens
lichten. De nieuwe artikelen 126N en 126U in het Wetboek
van Strafvordering (WvSv) bemakkelijken het opvragen van
verkeersgegevens bij internetproviders.
Om welke gegevens het precies gaat, moet nog afgebakend
worden via een algemene maatregel van bestuur. De bevraging
kan zowel het verleden betreffen als de toekomst, in dat
laatste geval met een maximum van 3 maanden.[17] Via
artikel 126N, tweede lid, WvSv is nadrukkelijk toegevoegd
dat het om daadwerkelijk gebruik gaat van een netwerk of
dienst, dus naar alle waarschijnlijkheid niet om de
stand-by locatiegegevens van mobieltjes. Wel kunnen via
deze formulering nieuwe soorten gegevens worden opgevraagd,
zoals betalingsgegevens en bewerkingen zoals de in een
gesprek gemaakte keuzes in een voicemailmenu.
Opvallend is verder dat er geen verdachte-vereiste is; er
hoeft alleen een algemene verdenking te bestaan van een
misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan
conform artikel 67, eerste lid, WvSv. De gebruiker waarover
gegevens worden opgevraagd, hoeft dus zelf niet verdacht te
zijn.
Bij de aanpassing van de 13.4, tweede lid, Tw (de
spiegelbepaling die de aanbieders verplicht om gegevens te
verstrekken) valt verder nog op dat de bewerkingsplicht om
gevraagde gegevens te achterhalen automatisch is uitgebreid
naar internet. Een officier van justitie kan
internetaanbieders dus ook gaan dwingen om zeer
ingewikkelde bewerkingen uit te voeren op hun databases met
klantgegevens om NAW-gegevens te achterhalen van een
klant.[18]
Samenvattend bestaat er op dit moment geen generieke
bewaarplicht voor verkeersgegevens. Maar het wetsvoorstel
vorderen gegevens telecommunicatie maakt de weg vrij voor
een massaal gebruik van verkeersgegevens van onverdachte
burgers door openbaar ministerie en veiligheidsdiensten.
Ondertussen wordt er in Europa heel hard gewerkt aan een
generieke bewaarplicht van tenminste 12 maanden.[19] Om
welke gegevens het gaat, is daarbij volstrekt
onduidelijk.
DE PRAKTIJK BIJ PROVIDERS
Wat slaan providers in de praktijk eigenlijk op? Het
makkelijkste antwoord is dat daar geen eenduidig antwoord
op valt te geven. Immers, zonder generieke bewaarplicht
doet iedere provider waar hij of zij zin in heeft. Er
bestaat ook geen gestandaardiseerd formaat van databases,
dus veel is afhankelijk van historische technische
keuzes.
Toch valt er wel iets meer over te zeggen. Providers, zowel
in de telefonie als in de internetwereld, bewaren veel.
Telefoniebedrijven hebben van oudsher zeer uitgebreide
administraties met verkeersgegevens omdat ze rekeningen
versturen en dus een essentieel bedrijfsbelang hebben bij
het bijhouden en op individueel niveau ontsluiten van de
administratie. Omdat de factuurperiode tweemaandelijks is,
worden de gegevens tenminste 3 maanden bewaard, in de
praktijk waarschijnlijk langer, afhankelijk hoe lang
klanten de rekeningen kunnen aanvechten.
Bij gewone telefonie gaat het om de nummers waarmee u zelf
belt en -met iets meer uitzoekwerk - ook de nummers die u
hebben gebeld, of de verbinding wel of niet tot stand is
gekomen, de duur en de kosten van het gesprek, het type
abonnement, de gebruikte apparatuur en eventuele extra
diensten, zoals doorschakeling, voicemail en
voordeelnummers.
In de mobiele telefonie komen daar locatiegegevens bij,
facturen ten behoeve van derde partijen en natuurlijk SMS.
In combinatie met internet, zoals GPRS en UMTS verschuift
voor de aanbieders het belang van verkeersgegevens steeds
meer in de richting van inhoud; in plaats van
tikkengebaseerde rekeningen verwachten de telefoonbedrijven
in de toekomst flatfee abonnementen aan te bieden met
rekeningen voor inhoud en plaats. Dat betekent dat de
belbedrijven een groeiend commercieel belang hebben bij het
bewaren en bewerken van locatiegegevens.
De signaleringsgegevens van de basisstations worden nu
alleen op netwerkniveau bijgehouden. Van mobieltjes die op
stand-by staan, valt op dit moment dus nog geen historisch
profiel te maken. Het gaat om enorme hoeveelheden data, die
de mobiele telco’s alleen gaan bewaren als ze er een
factureringsdoel voor hebben. Dat doel is inmiddels
ruimschoots in zicht, met toepassingen zoals Guardian Angel
en diensten als Spotter. Verzet vanuit de telefoniehoek
tegen een algemene bewaarplicht voor locatiegegevens smelt
dus met de tijd vanzelf weg.
Maar dan de internetwereld. De hoeveelheden gegevens die
een provider verwerkt, zijn astronomisch.
Een gemiddelde internetter gebruikt minstens 5 applicaties,
die elk eigen verkeersgegevens genereren. Denk naast
emailen en websurfen ook aan chatten, downloaden, het
uitwisselen van informatie via peer-to-peer netwerken
(zoals KaZaA), instant messaging en het bijhouden van
nieuwsgroepen. Daarnaast houdt de provider bovendien van
elke gebruiker de naam adres woonplaatsgegevens bij, een
abonnementenadministratie en een toegangsarchief, met het
toebedeelde vaste of dynamische IP-nummer, de tijdstippen
van aan- en afmelden, of de authenticatie geslaagd is en
soort dienst (bijvoorbeeld ISDN inbel of ADSL). Afhankelijk
van de dienst kan een provider bijvoorbeeld ook de
verbruikte hoeveelheid dataverkeer bijhouden.
Naast de login-gegevens kan elk van de genoemde zeven
applicaties een eigen logfile genereren. Neem bijvoorbeeld
e-mail. Het archief dat een provider bijhoudt van e-mail is
afhankelijk van de gekozen software, maar in ieder geval
wordt opgeslagen welke klant met wie heeft geemaild, hoe
laat, hoe groot de e-mail exact was in bytes, of er een
bijlage bijzat. Deze gegevens worden over het algemeen niet
langer dan een week bewaard, de maximumtijd die
noodzakelijk kan zijn om een mislukte aflevering te
traceren. Langer dan een week bewaren dient geen enkel
bedrijfsdoel. Ook in de toekomst lijkt het niet
waarschijnlijk dat providers alsnog een bedrijfsmodel
ontwikkelen om hun klanten per mailtje te laten betalen.
Het gaat om veel data uit verschillende archieven, en dus
om opslagcapaciteit. Van e-mail wordt bijvoorbeeld niet
alleen een verzendarchief bijgehouden (smtp), maar ook een
ontvangst archief (POP), en toegang tot e-mail via
bijvoorbeeld webmail. Toch is dat nog een relatief lage
kostenpost, in vergelijking met de enorme kosten om
gegevens uit geabstraheerde logfiles om te zetten in een
database die door een willekeurige medewerker kan worden
uitgelezen om de mailgeschiedenis van één
klant te volgen.
Dat verhaal geldt in nog sterkere mate voor surfgegevens.
Het vastleggen van het surfgedrag van klanten is een
ingewikkelde en kostbare bezigheid. Ofwel de provider moet
een zogenaamde proxy-server installeren, zodat al het
webverkeer via een centraal punt verloopt, ofwel de
provider moet het webverkeer zien te filteren uit de
honderden gigabyte data die er op elk willekeurig moment
door zijn netwerk stromen. Van Planet Internet is
bijvoorbeeld bekend dat ze zich in de algemene voorwaarden
voorbehouden om het surfgedrag van klanten te registreren,
maar naar hun eigen zeggen blijft die registratie beperkt
tot bezoek aan de eigen Planet-site. [20]
Van de andere internetmogelijkheden, zoals chatten,
nieuwsgroepen en peer-to-peer netwerken wordt al helemaal
geen logfile bijgehouden. Het gaat om een gruwelijk grote
hoeveelheid data. Minder dan een jaar geleden, toen ik nog
bij XS4ALL werkzaam was, heb ik proberen uit te rekenen wat
een eventuele bewaarplicht van 1 jaar voor e-mail en
surfgegevens zou kosten. Toendertijd had XS4ALL ongeveer
100.000 klanten die 1 gigabyte aan SMTP-logfile per dag
genereerden, 400 megabyte POP-logfile, en nog eens 50
megabyte aan webmail archief. En dat is dus alleen e-mail.
Het bijhouden van het surfgedrag zou een logfile van
minimaal 5 en waarschijnlijk 10 gigabyte per dag vergen,
het bijhouden van de nieuwsgroepen die klanten lezen tussen
de 10 en de 15 gigabyte per dag. Voor andere
internettoepassingen als IRC en peer-to-peer valt helemaal
geen schatting te maken. Totaal kwam XS4ALL uit op maximaal
25 gigabyte data per dag, per jaar dus 9 terabyte.
De opslag op een professionele harde schijf kost 50.000
euro per 400 gigabyte, dus voor het opslaan van 1 jaar mail
en surfgedrag van 100.000 klanten een kostenpost van 1,25
miljoen Euro. Toch vallen die kosten nog weg in
vergelijking met de kosten om deze data te ontsluiten via
een database. Om de logfiles leesbaar te maken per klant
door de tijd heen, moet de informatie worden omgezet in
database formaat en gemiddeld bevat een databasecel 7 keer
zo veel informatie als een regel uit een Unix-logfile. De
kosten voor het ontsluiten van de verkeersgegevens komen
dan in theorie op 7 x 1,25 miljoen, dus 8,75 miljoen Euro.
En dat geldt dus bij een bewaarplicht van 1 jaar voor maar
100.000 internetters.
Natuurlijk is dit een hele ruwe som, waar veel op af valt
te dingen, maar zelfs als de kosten gehalveerd zouden zijn,
maken dit soort bedragen al het verschil tussen winst en
verlies op de jaarrekening van een provider. Dat is een
heel belangrijk verschil tussen de telefoniewereld en de
internetwereld: de begroting. Waar telefoonbedrijven gewend
zijn aan investeringen van honderden miljoenen euro’s
om bijvoorbeeld kabels te leggen, bedraagt het
techniekbudget van providers daar meestal maximaal een
tiende van. De huidige praktijk om aanbieders van
telecommunicatienetwerken en diensten volledig zelf op te
laten draaien voor investeringen in apparatuur die alleen
opsporingsbehoeften dient, pakt voor internetaanbieders dan
ook zeer ongunstig uit.
Toch vormen kosten niet het belangrijkste argument tegen
een bewaarplicht van internetverkeersgegevens. Logfiles van
internetapplicaties worden met een zeer hoge foutmarge
opgebouwd, alsof je geblinddoekt proppen gooit in de
richting van een prullenbak.[21] Het gaat te ver om nu
dieper op deze techniek in te gaan, maar gezien de
voorliefde van het Nederlandse opsporingsapparaat om
technische bewijsmiddelen te gebruiken, is het zeer
waarschijnlijk dat dit soort onbetrouwbare verkeersgegevens
in de toekomst vaak als bewijsmiddel gaan fungeren. En het
gaat daarbij waarschijnlijk om schrikbarend hoge
aantallen.
Hoewel er nauwelijks statistieken beschikbaar zijn, blijkt
uit WODC onderzoek dat Nederland in de eerste helft van de
jaren negentig- in vergelijking met Europa en de Verenigde
Staten - het hoogste aantal justitiële taps had van
telefoongesprekken, zowel in relatieve als in absolute
aantallen.[22] Niets wijst erop dat het aantal taps sinds
die tijd is afgenomen. In tegendeel. Uitgelekte cijfers
over 1998 wezen op een explosieve toename. In 1998 tapte de
Nederlandse politie 10.000 telefoons, waarvan 7.000 GSMs en
3.000 gewone telefoons. Dat was veel meer dan Groot
Brittanie en zelfs de Verenigde Staten.[23] Getapte
gesprekken worden in onze rechtbanken zonder veel kritiek
toegelaten als bewijsmateriaal. Ondanks sterke kritiek van
technische experts [24] lijken rechters niet bereid om te
twijfelen aan de betrouwbaarheid van het materiaal. Ten
aanzien van verkeersgegevens verwacht ik geen andere
basishouding.
Angst voor misbruik van verkeersgegevens lijkt misschien
voorbarig, nu er nog niet eens een AmvB is gemaakt waarin
de soorten verkeersgegevens worden opgesomd die bewaard
moeten worden. Maar ik persoonlijk vrees dat een
uitgebreide bewaarplicht heel dichtbij is.
Via de herziening van hoofdstuk 11 wordt, net als in de
e-Communicatie Privacy Richtlijn, een uitzondering
geïntroduceerd op het verwijdergebod, het nieuwe
artikel 11.12. Op de verwijderplicht mag een uitzondering
worden gemaakt ‘indien dit noodzakelijk is in het
belang van de nationale veiligheid en/of de voorkoming,
opsporing en vervolging van strafbare feiten.’
Blijkens de memorie van toelichting heeft de industrie zich
via het overlegorgaan OPT beklaagd over de spanning tussen
de verwijderplicht enerzijds en de plicht tot het
verstrekken van gegevens aan opspoorders anderzijds. De
minister ziet hierin geen enkel probleem. “(...)op
grond van de richtlijn kan een lidstaat - uiteraard met
inachtneming van de geldende nationaal en
internationaalrechtelijke regels - bepalen dat aanbieders
bepaalde verkeersgegevens niet dienen te verwijderen of
anonimiseren, maar voor strafvorderlijke doeleinden
tijdelijk dienen te bewaren.” (...) [25]
De Telecomwet is er dus straks helemaal klaar voor om elke
politieke keuze te kunnen accomoderen. Daarbij wordt de
praktijk met name bij internetproviders veel geweld
aangedaan, want ondanks het nadrukkelijke streven naar
techniekonafhankelijkheid is de wet toch grotendeels
gebaseerd op telefonie (d.w.z. spraakverkeer). Daaruit
vloeien onjuiste aannames voort, zoals bijvoorbeeld de
gedachte dat alle bedrijven hun gegevens altijd minstens 3
maanden bewaren, omdat er nu eenmaal elke 2 maanden een
rekening wordt verstuurd. Of de impliciete aanname dat de
verkeersgegevens zeer betrouwbaar zijn, omdat ze gebruikt
worden voor facturen. Die foutieve aannames leiden tot
wetgeving die pretendeert techniekonafhankelijk te zijn,
maar feitelijk een specifieke telefoniepraktijk dwingend
oplegt aan de hele telecomindustrie.
Mensen zijn de afgelopen 100 jaar ongelooflijk veel meer
gaan communiceren dan iemand daarvoor ooit had kunnen
verzinnen. Het patroon van die communicatie is voor
opspoorders een ideale samenvatting. Het bespaart heel veel
tijd om niet de inhoud woord voor woord te hoeven
doornemen. En daar is niets mis mee, als het zou gaan om
specifieke verdachten waarvan de gangen worden nagegaan.
Het is niet alleen technisch absurd en financieel
dramatisch om de internetproviders te dwingen tot de aanleg
van enorme databanken, het stelselmatig vastleggen van de
communicatiegegevens van alle burgers valt ook niet te
rechtvaardigen met een technisch onderscheid tussen inhoud
en verkeersgegeven. Dat de pogingen mislukt zijn om
verkeersgegevens dezelfde stevige bescherming te geven als
de inhoud van de communicatie, berust dan ook niet op
principes, maar op een politieke keuze. Daarbij is allicht
onderschat hoeveel persoonlijke gegevens die
verkeersgegevens bevatten, waardoor ze van bijvangst tot
hoofdvangst zijn geworden.
EUROPESE ONTWIKKELINGEN
In vergelijking met andere lidstaten is Nederland nog
relatief laat met het slopen van privacy-bepalingen die de
opslag van verkeersgegevens in de weg staan. Leidinggevend
voor de Europese discussie zijn drie internationale
wensenlijstjes: van Interpol; van de ministers van justitie
en binnenlandse zaken van de G8 (de acht rijkste
industrielanden) en van Europol, het Europees
samenwerkingsverband van politiediensten.
Het wensenlijstje van Interpol[26] dateert van november
2001, en is zeer gedetailleerd. Vrijwel identiek is de
lijst van de G8, van midden mei vorig jaar. Het gaat niet
alleen om netwerktoegang, maar ook om de logfiles van
e-mail, ftp, http, irc en news van alle internetgebruikers
die voor (zeer) lange tijd bewaard zouden moeten
worden.[27]
Ook Europol liet een hele lange verlanglijst uitlekken,
twee weken voor de stemming over de nieuwe e-Communicatie
Privacy Richtlijn.[28] Europol wil ook nog graag de
wachtwoorden weten voor internettoegang, de nummers van
creditcard of rekening waarmee de internet of
telefoontoegang wordt betaald en de gebruikte nickname in
chatsessies.
Aan de haalbaarheid van deze wensen wijd ik verder geen
woorden. Ik geloof ook niet dat de opstellers van deze
lijstjes technische haalbaarheid in gedachten hadden.
Interessanter is de timing van het uitlekken van de
wensenlijstjes. Het lijstje van de G8 lekt uit terwijl er
in het Europees parlement nog verwoed wordt gelobbied over
een nieuwe richtlijn voor privacy in de telecomsector.
Onder de Telecom Privacy Richtlijn van 1997 (97/66/EG)
mochten verkeersgegevens alleen worden bewaard voor
facturering, daarna moesten ze verplicht worden verwijderd
of geanonimiseerd. Via de nieuwe e-Communicatie Privacy
richtlijn dreigde dit gebod uitgebreid te worden naar de
internetproviders. Maar op het laatste moment buigen de
twee grootste fracties in het Parlement, de
christen-democraten en de sociaal-democraten voor druk van
de Raad. Een nieuw sociaal-democratisch amendement[29]
maakt een einde aan de generieke verwijderplicht en maakt
het mogelijk voor lidstaten om wetten uit te vaardigen die
een bewaarplicht opleggen aan telecommunicatie-providers.
Tijdelijk uiteraard, in overeenstemming met het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden en andere mooie frasen.
Voorstanders van de bewaarplicht verdedigden dit amendement
met het argument dat het alleen een bewaarplicht mogelijk
maakte en dat het aan de nationale parlementen voorbehouden
zou zijn om daar ook daadwerkelijk invulling aan te geven.
Een week na het aannemen van de richtlijn keurde Spanje een
wetsvoorstel ter implementatie van de Richtlijn
Elektronische handel (2000/31/EG) goed, waarin een algemene
bewaarplicht van 1 jaar voor verkeersgegevens was
opgenomen.
Toen de ministers van justitie in de zomer van 2002 een
vragenlijst ontvingen van de Deense voorzitter van de EU
over hun huidige bewaarplichten[30], zagen critici van de
bewaarplicht hun ergste vrees bewaarheid, dat de aanpassing
van de e-Commmunicatie Privacy-richtlijn (2002/58/EG) maar
een laatste formele hobbel was die de Europese regeringen
moesten nemen op weg naar de gewenste en reeds lang van te
voren geplande eindbestemming; een systematische
bewaarplicht voor alle verkeersgegevens van alle EU
burgers.
De antwoorden maken duidelijk in welke landen er al een
specifieke periode is vastgelegd, en welke gegevens onder
de definitie vallen. 9 van de huidige 15 lidstaten kennen
al verplichte opslag of zijn van plan om dat op korte
termijn te introduceren.[31]
Naast Spanje hebben Engeland, Ierland en Frankrijk de meest
recente telecomwetgeving van Europa, daterend uit
respectievelijk eind 2001 en april 2002. Telecom- en
internetaanbieders zijn in Engeland verplicht om
verkeersgevens minimaal 6 en maximaal 12 maanden te
bewaren, in Frankrijk een jaar, terwijl Ierland de kroon
spant met een verplichting om alle verkeersgegevens
minimaal 3 jaar te bewaren.
Ook aanbieders in Denemarken en België zijn sinds eind
2000 verplicht om inbel- en identificatiegegevens gedurende
een jaar te bewaren, maar de wetgeving is in de praktijk
nog niet geactiveerd. Van de 15 lidstaten hebben alleen
Italië, Griekenland, Portugal, Luxemburg, Duitsland en
Zweden nog geen bewaarplicht of vergevorderde plannen om
die in te voeren. Alleen Duitsland en Nederland betonen
zich min of meer tegenstander van een Europees besluit.
Maar liefst 10 van de 15 lidstaten zijn ronduit positief
over een verplichting.[32]
Ik wil nog een detail noemen uit de antwoorden op de
vragenlijst. In vraag 6 wordt de ministers gevraagd in
hoeverre ze eventuele plannen voor opslag van
verkeersgegevens bespreken met vertegenwoordigers van de
telecomindustrie. Het meest rooskleurige beeld wordt
geschetst door de Engelse minister van Binnenlandse Zaken.
De telecomindustrie werkt aan een convenant voor
vrijwillige langdurige opslag van verkeersgegevens, en
daaruit blijkt volgens minister David Blunkett wel hoe hoog
de mate van steun voor een Europese bewaarplicht is[33]. De
werkelijkheid heeft hem inmiddels ingehaald. De Engelse
branche-organisatie van internetproviders heeft het
zelfreguleringsoverleg afgebroken. Ze willen niet meer
meewerken aan de opslag van verkeersgegevens, omdat de
opspoorders geen enkel overtuigend voorbeeld konden leveren
van zaken die alleen opgelost hadden kunnen worden als alle
verkeersgegevens bewaard zouden zijn.[34]
KRITIEK PRIVACY-WATCHDOGS
Vanuit het College Bescherming Persoonsgegevens en het
Europees samenwerkingsverband van privacy-toezichthouders,
de Article 29 Working Party, is fel geageerd tegen een
algemene bewaarplicht.
In een persbericht van september vorig jaar stelt het CBP
zich op het standpunt dat een bewaarplicht een
onrechtmatige inbreuk vormt op het recht op eerbiediging
van de persoonlijke levenssfeer, zoals omschreven in
artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de
Mens.[35]
De Europese werkgroep van privacy-toezichthouders is
dezelfde mening toegedaan. Zij schrijven [36]: “Het
systematisch bewaren van alle soorten verkeersgegevens voor
een periode van een jaar of meer zou zeker in strijd zijn
met het evenredigheidsbeginsel en derhalve in ieder geval
onaanvaardbaar zijn.”
In een nader advies begin dit jaar [37] over het bewaren
van verkeersgegevens, pleit de Artikel 29 werkgroep voor
een bewaartermijn van maximaal een half jaar, als het
tenminste gaat om verkeersgegevens die direct gekoppeld
zijn aan facturen. Met het advies probeert de werkgroep de
lengte en omvang van verkeersgegevens af te bakenen. Toch
wil of kan de werkgroep geen concrete opsomming geven wat
nou precies verkeersgegevens zijn. Daardoor blijft het
onduidelijk hoe telecombedrijven bijvoorbeeld om moeten
gaan met locatiegegevens van apparaten die stand-by
staan.
Onder leiding van de Italiaanse Europarlementarier Marco
Cappato heeft een groep van 38 parlementariers in februari
een aanbeveling opgesteld aan de Raad om niet over te gaan
tot een bindende bewaarplicht.[38] Vanuit Nederland heeft
VVD-lid Elly Plooij daar bijvoorbeeld een actieve rol in
gespeeld.[39] Onlangs nog heeft een Europese coalitie van
telecommunicatiebedrijven een persbericht uitgegeven waarin
ze haar grote zorgen uitspreekt over een
bewaarplicht.[40]
Samenvattend is het volgens mij volstrekt arbitrair wanneer
iets een verkeersgegevens is, wanneer een persoonsgegeven
en wanneer inhoud die extra bescherming verdient. Om die
reden verdienen verkeersgegevens in mijn ogen de hoogste
bescherming. Het vastleggen van elke muisklik, het patroon
van elke communicatie heeft zonder meer een chilling effect
op de communicatievrijheid. U surft nooit meer alleen, over
uw schouder kijkt een familielid mee met een ijzeren
geheugen.
Om een juiste balans te vinden tussen veiligheid van de
maatschappij en bescherming van de persoonlijke levenssfeer
moeten we telkens dezelfde vragen stellen naar
proportionaliteit, subsidiariteit en
controleerbaarheid.
Valt de stelselmatige opslag van informatie over het
communicatieverkeer van alle burgers te rechtvaardigen, om
een relatief zeer gering aantal criminelen op te sporen?
Met andere woorden, kan een bewaarplicht ooit proportioneel
zijn? Je kunt die vraag principieel proberen te
beantwoorden, zoals het College Bescherming
Persoonsgegevens doet, maar dan beland je snel in een
morele discussie. In een artikel dat onlangs is verschenen
in het blad Computerrecht [41] volgt de gerenommeerde
wetgevingsjurist Alexander Patijn een andere aanpak. Hij
pleit voor een empirische benadering van het
proportionaliteitsvereiste.
Stel, schrijft hij, dat er een verplichting komt alle
verkeersgegevens gedurende 36 maanden te bewaren, terwijl
bij evaluatie blijkt dat slechts 2% van die gegevens
daadwerkelijk wordt opgevraagd voor het onderzoek in een
strafzaak. “Van die 2% blijkt 10% achteraf
daadwerkelijk nodig om het bewijs in de strafzaak rond te
krijgen, hetzij als rechtstreeks bewijs hetzij als spoor
naar dergelijk bewijs. Dan is dus 0,2% van de opgeslagen
gegevens nodig voor de opsporing. Dan zou 99,8% van die
gegevens worden bewaard ter wille van die bruikbare 0,2%.
Laten we vervolgens aannemen dat van die 2% de helft binnen
de eerste week wordt opgevraagd en 9/10 binnen de eerste
maand. Dan zouden gedurende 35 maanden gegevens bewaard
worden ter wille van de 0,02% die naar verwachting
bruikbaar is in een strafzaak.“[42]
Volgens zijn empirische benadering zou de lengte en de aard
van de bewaarplicht berekend kunnen worden door de schade
die criminaliteit aanricht in de maatschappij af te zetten
tegen de kosten van een bewaar- en zoekplicht. Providers
kunnen in die systematiek een indiceerbare vergoeding
claimen per bewerking.
Hoe nobel ik dit zoeken naar een compromis ook vind, in
mijn ogen is het toch een hopeloos ingewikkelde oplossing,
een antwoord bovendien op een onjuiste vraag. Er ontbreekt
zowel een fundamentele als een empirische rechtvaardiging
voor generieke opslag. Patijn suggereert in zijn artikel
dat bij moord en bedreigingen alleen de gegevens van belang
blijken te zijn over degenen met wie kort daarvoor
telefonisch contact is geweest. Ik geloof dat onmiddellijk,
maar waar hij dat op baseert, weet ik niet.
De controleerbaarheid ontbreekt. Ik ken geen publiek
toegankelijke statistische informatie over het gebruik, de
duur en de effectiviteit van taps en verkeersgegevens in de
opsporing. In maart en juli van dit jaar antwoordde de
minister van justitie op kamervragen[43] dat er geen
cijfers bestaan van aantallen taps en dat hij ook niet van
plan is om die in de toekomst bij te houden. Onderzoek naar
effectiviteit kan daardoor al helemaal niet worden
gedaan.
Bij gebrek aan toezicht kan ook de subsidiariteitsvraag
niet worden beantwoord, of met andere, minder ingrijpende
middelen niet een vergelijkbaar resultaat kan worden
behaald.
Zonder antwoord op de drie fundamentele vragen naar
proportionaliteit, subsidiariteit en controleerbaarheid,
lijkt mij alleen het vasthouden van de gegevens van een
specifieke verdachte te rechtvaardigen.
Ook onder dreiging van oorlog en terrorisme moeten we onze
maatschappij blijven grondvesten op democratie,
grondrechten en bescherming van de persoonlijke
levenssfeer. Het preventief in de gaten houden van het
communicatiegedrag van alle burgers vormt een radicale
omkering van het principe dat iedereen onschuldig is, tot
het tegendeel is bewezen. Het gevaar dreigt dat we onze
maatschappij volledig ten dienste gaan stellen van
opsporing, in plaats van omgekeerd.
"Those who desire to give up freedom in order to gain
security, will not have, nor do they deserve, either
one." waarschuwde Thomas Jefferson. Ruim twee eeuwen
later is zijn adagium helaas actueler dan ooit.
NOTEN
1. W.A.M. Steenbruggen, ‘I know what you did last
summer! over grenzeloze en ongegeneerde verwerking van
verkeersgegevens in de informatiemaatschappij’,
JAVI 2002-3, p. 89-97.
2. Wijziging van het wetboek van Strafvordering en andere
wetten in verband met de aanpassing van de bevoegdheden tot
het vorderen van gegevens terzake van telecommunicatie
(vorderen gegevens telecommunicatie), Kamerstukken
II 2002–2003, 28 059, nrs. 001-5,
Kamerstukken I 2002-2003, 28059, nr. 187.
3. Wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de
implementatie van richtlijn 97/66/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december
1997 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de
telecommunicatiesector (PbEG 1998 L 24) alsmede richtlijn
2002/58/EG van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van
persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer in de sector elektronische communicatie (PbEG
2002 L201), Kamerstukken II 2002/2003, 28 962, nrs.
1-3.
4. Council of the European Union, Brussels, 14 August 2002
11490/1/02 REV 1, to Delegations to the Multidisciplinary
Group on Organised Crime (MDG), Subject : Questionnaire on
traffic data retention. Online beschikbaar via http://register.consilium.eu.int/pdf/en/02/st11/11490-r1en2.pdf
5. Richtlijn 2002/58/EG van 12 juli 2002 betreffende de
verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische
communicatie (richtlijn betreffende privacy en
elektronische communicatie), PbEG 2002, L201
6. Zwenne 2001 (T&C Tw), art. 11.5, aant. 2:
“De term ‘verkeersgegevens’ (‘call
detail records’ afgekort ‘cdr’) verwijst
naar de gegevens betreffende het feitelijk gebruik van
netwerken en diensten, ofwel de door de netwerk- of
diensten aanbieder opgeslagen gegevens die worden verwerkt
om oproepen tot stand te brengen. Daaronder worden in ieder
geval begrepen: het oproepende en opgeroepen
aansluitnummer, alsmede de datum en het begin- en
eindtijdstip van de oproep. Verder valt te denken aan
gegevens over het gebruikte type randapparatuur en gegevens
over de hoeveelheid verzonden gegevens of de omvang van het
verzonden bericht, alsmede inloggegevens van e-mail en
andere internetdiensten. Ook gegevens betreffende
plaatsbepaling van een GSM-randapparaat in een GSM-netwerk
(zogenaamde locatiegegevens) worden aangemerkt als
verkeersgegevens als deze gegevens worden gebruikt om een
oproep tot stand te brengen. (Aanh. Hand. II, 1999/2000, p.
2413-2416)”.
7. Kamerstukken II 2002-2003, 28 962 nr. 2, artikel
1A wijziging Tw 11.1 onder e.
8. Deze en volgende technische specificaties over
locatiegegevens zijn ontleend aan Ronald Hes,
‘Verkeersgegevens in nieuwe generaties
telecommunicatiesystemen’ in L.F. Asscher en A.H.
Ekker (red.) Verkeersgegevens, een juridische en
technische inventarisatie, Instituut voor
Informatierecht, Amsterdam 2003.
9. Persbericht Alcatel 31 maart 2003, "Guardian
Angel" houdt een oogje in het zeil, beschikbaar via
http://www.alcatel.nl/local/pers/newsrelease/20030331-GuardianAngel.jhtml
10. Zie voor meer informatie over Spotter de website van O2
http://www.online.o2.nl/spotter/ en voor meer
informatie over Friendzone het persbericht van Vodafone
Duitsland, 7 april 2003, ‘Nach der Schule in die
mobile Community’ http://www.vodafone.de/unternehmen/presse/28763_33177.html
11. Een voorbeeld van een dergelijke parkeerbetaaldienst is
Parkline, http://www.park-line.nl/
12. Lodewijk Asscher, Communicatiegrondrechten. Een
onderzoek naar de constitutionele bescherming van het recht
op vrijheid van meningsuiting en het communicatiegeheim in
de informatiesamenleving, (diss. UvA) Amsterdam: Otto
Cramwinckel 2002.
13. Anton Ekker, ‘Publiekrechtelijke bescherming van
verkeersgegevens’ in: L.F. Asscher en A.H. Ekker
(red.), Verkeersgegevens, een juridische en technische
inventarisatie, Instituut voor Informatierecht,
Amsterdam 2003. De verschillende pogingen om de grondwet
zodanig te moderniseren dat ook nieuwe categorieen gegevens
onder het briefgeheim vallen worden zeer lezenswaardig
beschreven door Lodewijk Asscher,
Communicatiegrondrechten. Een onderzoek naar de
constitutionele bescherming van het recht op vrijheid van
meningsuiting en het communicatiegeheim in de
informatiesamenleving, (diss. UvA) Amsterdam: Otto
Cramwinckel 2002.
14. De systematiek van art. 11.5 (1) Tw had o.g.v. de wet
d.d. 8 nov. 2001 moeten zijn veranderd: de AMvB zou de
gegevens moeten aanwijzen die wél mogen worden
verwerkt, en de niet aangewezen gegevens zouden moeten
worden verwijderd. Zie Stb. 2001, 559
(Kamerstukken II 2001-2002, 27576, nrs. 1-60a
wijzigingen telecommunicatiewet). Dit zou in lijn zijn met
richtlijn 97/66/EG; om de een of andere reden is e.e.a.
niet in werking getreden.
15. Kamerstukken II 2002-2003, 28 962, nr. 2, p.
2-3
16. Zie noot 2.
17. Het nieuwe artikel 126N, eerste lid, WvSv luidt: In
geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in
artikel 67, eerste lid, kan de officier van justitie in het
belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te
verstrekken over een gebruiker en het
telecommunicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker.
De vordering kan slechts betrekking hebben op gegevens die
bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen en kan
gegevens betreffen die: a. ten tijde van de vordering zijn
verwerkt, dan wel b. na het tijdstip van de vordering
worden verwerkt.
18. Het nieuwe artikel 13.4, tweede lid, Tw luidt:
Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en
openbare telecommunicatiediensten voldoen aan een vordering
op grond van artikel 126na, tweede lid, of 126ua, tweede
lid, van het Wetboek van strafvordering dan wel een verzoek
op grond van artikel 29 van de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002 tot het op bij algemene maatregel
van bestuur te bepalen wijze achterhalen en verstrekken van
de gegevens, bedoeld in het eerste lid. Teneinde aan deze
verplichting te kunnen voldoen, bewaren de aanbieders de
daartoe benodigde, bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen gegevens, voor een termijn van drie maanden,
nadat de gegevens voor het eerst zijn verwerkt.
19. Zie de eerste analyse van de questionnaire in
‘EU: data retention to be "compulsory" for
12-24 months’, augustus 2002, Statewatch, http://www.statewatch.org/news/2002/aug/05datafd1.htm
20. Bits of Freedom heeft hierover in oktober 2002 een
klacht ingediend bij het College Bescherming
Persoonsgegevens. Zie http://www.bof.nl/nieuws/021004.html
21. Voor het aanleggen van logfiles wordt het User Datagram
Protocol, UDP gebruikt, dat geen controle-mechanisme kent,
in tegenstelling tot het Transmission Control Protocol
(TCP), waarmee de meeste data over internet worden
vervoerd.
22. Z. Reijne, R.F.Kouwenberg, M.P.Keizer Tappen in
Nederland, , Ministerie van Justitie, WODC, Gouda:
Quint 1996. In 1993 werden 3.619 en in 1994 3.284 telefoons
afgetapt.
23. De (justitiële) tapcijfers over 1998 waren al lang
bekend, maar zijn officieel boven tafel gekomen na een
WOB-procedure van Bits of Freedom. De cijfers staan in een
brief van de Regionale Recherche Ondersteuning Rotterdam
van 7 juni 1999, beschikbaar via http://www.bof.nl/docs/aftapbrief.gif
Tegenover de ongeveer 10 000 taps in Nederland in 1998
staan 1.277 afgetapte telefoons in 1999 in de VS en 1.933
in datzelfde jaar in Engeland.
Cijfermateriaal over Groot-Brittannie is te vinden via
http://www.privacyinternational.org/countries/uk/surveillance/inter-comm-report-2000.pdf
(het jaarverslag van de communications commissioner).
Tapcijfers in de VS zijn beschikbaar van 1997 tot 2002
via http://www.uscourts.gov/wiretap.html
24. In de zaak tegen Huseyin Baybasin, die in augustus 2002
op grond van afgetapte telefoongesprekken tot levenslang
werd veroordeeld, bleek dat de aftapapparatuur van de
politie nooit aan een audit is onderworpen of van een
keurmerk is voorzien. Volgens technisch experts, die door
de advocaten van Baybasin werden ingeschakeld, is het heel
makkelijk om te knoeien met opgenomen gesprekken. Zie oa:
Verknipte gesprekken, De Volkskrant, 10 augustus
2002, http://www.volkskrant.nl/binnenland/8761030113615.html
In een vervolgbericht nam De Volkskrant de proef op de som
en legde een gemanipuleerd bestand voor aan haar lezers.
Zie: Verknipte gesprekken (2), De Volkskrant, 28
oktober 2002, http://www.volkskrant.nl/binnenland/1033708161828.html
25. Kamerstukken II 2002-2003, 28 962 nr. 3, p
6.
26. Expert Statement, European Working Party on Information
Technology Crime, Interpol, november 2001, annex 2 http://www.bof.nl/docs/Annex_2_of_Data_Retention_comments.pdf
27. Principles on the Availability of Data Essential to
Protecting Public Safety, G8, mei 2002, beschikbaar via
http://www.g8j-i.ca/english/doc3.html
28. Europol Expert meeting on cyber crime: Data retention,
april 2002, zie oa http://www.gilc.org/europol.pdf
29. Het bewuste amendement werd opgesteld door de
Italiaanse sociaal-democraat en schaduw-rapporteur Elena
Ornella Paciotti. Zij verdedigde de mogelijkheid van een
bewaarplicht in een open brief aan de 40
privacy-organisaties die voorafgaand aan de stemming hadden
geprotesteerd. Zie http://www.gilc.org/paciotti_52802.html
30. Zie noot 4.
31. Answers to questionnaire on traffic data retention De
eerste versie van 16 september 2002 is beschikbaar via
http://www.bof.nl/docs/data_retention_answers.pdf
, De definitieve versie van 22 november 2002 is beschikbaar
via http://www.effi.org/sananvapaus/eu-2002-11-20.html
32. Analyse Statewatch, ‘Majority of governments
introducing data retention of communications’,
beschikbaar via http://www.statewatch.org/news/2003/jan/12eudatret.htm
33. Answers 22 november 2002, p 23. Letterlijk schrijft
Engeland in antwoord op vraag 6: ‘(...) The industry
are willing to work with the government on the issue of
data retention and the efforts made by them in the attempts
to deliver a ‘voluntary' code have given a clear
indication of their level of support for such
action.’
34. Het afbreken door de providers van het
zelf-reguleringsoverleg staat beschreven in The Guardian,
Internet providers say no to Blunkett, 22 oktober 2002,
beschikbaar via http://www.guardian.co.uk/guardianpolitics/story/0,3605,816510,00.html
35. Persbericht CBP ‘Grote terughoudendheid wenselijk
bij opslag verkeersgegevens’, 3 september 2002,
beschikbaar via http://www.cbpweb.nl/documenten/pb_20020903_verkeersgegevens.htm
36. Statement of the European Data Protection Commissioners
at the International Conference in Cardiff (9-11 September
2002) on mandatory systematic retention of
telecommunication traffic data, beschikbaar via http://www.fipr.org/press/020911DataCommissioners.html
37. Privacy authorities recommendation on storage of
billing data http://europa.eu.int/comm/internal_market/en/dataprot/wpdocs/wp69_en.pdf
38. European Union: Cappato Promotes Cross-Party Initiative
Against Electronic General Surveillance . European
coalition press release, 21 januari 2003, beschikbaar via
http://coranet.radicalparty.org/pressreleases/press_release.php?func=detail&par=3049
39. Elly Plooij, 'Gegevensopslag tast privacy en
vrijheid burgers ernstig aan' , , online magazine
Breekpunt, 24 februari 2003, beschikbaar via http://www.plooij.nl/nederlands/artikel/056.htm
40. Common industry statement on storage of traffic data
for law enforcement purposes, 4 juni 2003, beschikbaar via
http://www.iccwbo.org/home/news_archives/2003/stories/data.asp
41. A. Patijn, ‘Verplichte opslag van
verkeersgegevens?’, Computerrecht (dossier
cybercrime) 2003/2, p. 103-142
42. A. Patijn, ‘Verplichte opslag van
verkeersgegevens?’, Computerrecht (dossier
cybercrime) 2003/2, p. 137
43. Dubbele reeks vragen van het lid Vos (GroenLinks) aan
de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties over het aantal telefoontaps in de
jaren negentig. (Eerste reeks ingezonden 5 maart 2003;
antwoorden 31 maart 2003, tweede reeks ingezonden 15 april
2003; antwoorden 3 juli 2003). Aanhangsel Handelingen II
2002-2003, nr. 1035 en nr. 1553
|
|
|