|
|
|
| Dossier
verkeersgegevens Laatste update 05.12.2005 |
- Inleiding
- Voorstellen
- Tien Fabels
over de bewaarplicht
- Geschiedenis
- Politieke
ontwikkelingen
- BOF
campagne
- Internationaal
- Links
2. Voorstellen
Politie, justitie en inlichtingendiensten willen graag
toegang tot de (historische) verkeersgegevens van
aanbieders van internet, vaste en mobiele telefonie. Dat
wil zeggen dat ze willen kunnen zien wie met wie
waarvandaan heeft gebeld, ge-sms't en ge-e-maild en welke
andere dingen mensen op internet hebben gedaan, zoals het
bezoeken van websites. De Europese ministers van justitie
en Binnenlandse Zaken bespreken sinds april 2004 een
ingrijpend voorstel om de verkeersgegevens van alle
inwoners van de EU systematisch één tot vier
jaar op te laten slaan en toegankelijk te maken voor
opsporingsdiensten uit heel Europa.
Het voorstel is zeer controversieel, omdat het raakt aan de
privacy van alle 450 miljoen inwoners van de EU en omdat de
aanbieders (met name internetproviders) hoge kosten moeten
maken om aan alle wensen te voldoen. Maar het voorstel is
ook controversieel omdat het Europees Parlement, de
Europese Commissie volledig buiten spel stonden. De
ministers van justitie en binnenlandse zaken meenden dat ze
dit besluit zelfstandig konden nemen in de zogenaamde derde
pijler, waarbij het Europees Parlement alleen
(vrijblijvend) adviesrecht heeft.
Het Europese Parlement (de commissie Juridische Zaken) bracht op 31
maart 2005 een vernietigend advies uit over de rechtsgrondslag. Ook de
eigen juridische diensten van de Europese Commissie en de Raad van de
Europese Unie brachten een negatief advies uit over de rechtsgrondslag
van het ontwerp-Kaderbesluit (resp. op 22 maart 2005 en 5 april 2005).
Alle drie de adviezen stellen vast dat het voorstel zulke
ingrijpende gevolgen heeft voor de interne markt dat alleen
de Commissie met een voorstel mag komen over de aard en
duur van een bewaarplicht. Op 21 september 2005 heeft de
Commissie alsnog zelf een voorstel ingediend voor een
Richtlijn met betrekking tot de bewaarplicht. Een Richtlijn
is regelgeving die van toepassing is op alle lidstaten van
de Europese Unie. De Lidstaten zijn verplicht deze
regelgeving over te nemen in hun nationale wetgeving.
De werkgroep van Europese
privacy-toezichthouders (de Artikel 29 Werkgroep) bracht op
15 november 2005 haar advies uit. De werkgroep acht de
voorgenomen bewaarplicht in strijd met artikel 8 Europees
Verdrag van de Rechten van de Mens en pleit voor onderzoek
naar een alternatieve mogelijkheid om verkeersgegevens op
slaan van individuele verdachten (bevriezingsbevel).
Het Kaderbesluit is ook omstreden omdat het doel de
bestrijding van misdrijven in het algemeen is, dus zeker
niet beperkt tot terrorisme en/of ernstige criminaliteit.
Bovendien wordt het vereiste van dubbele strafbaarheid
losgelaten bij het overdragen van gegevens aan andere
EU-lidstaten. Tevens is er sprake van een minimum
bewaartermijn van zes maanden voor lidstaten die eventueel
willen afwijken voor sommige gegevens, en een maximum van
vier jaar.
Doordat de Commissie zelf met een voorstel komt blijft er
voor het Parlement meer ruimte over om invloed uit te
oefenen op de bewaarplicht verkeersgegevens. Het voorstel
wijkt in zoverre af dat de termijnen voor het bewaren van
verkeersgegevens van telefonie een jaar bedragen en die van
internet een half jaar. De Richtlijn bevat ook bepalingen
waarin een financiële tegemoetkoming voor
internetproviders is opgenomen. Tot nu toe hebben het
Europees Parlement en de Europese Raad het voorstel niet
goedgekeurd.
Op voorstel van Litouwen heeft de Raad op 15 april een
lijst opgesteld van de soorten gegevens. Daarbij gaat het
om elke inkomende en uitgaande byte van internetverkeer en
moeten ook wachtwoorden en pincodes worden bewaard en op
verzoek verstrekt.
Met de bewaarplicht verkeersgegevens slaat Europa een
fundamenteel andere weg in bij de opsporing van de misdaad;
van gerichte opsporing naar algemeen toezicht op alle
burgers. Het alternatief, namelijk gerichte opslag van
gegevens van verdachten, wordt in beide voorstellen
afgedaan met de bewering dat het soms nodig is voor de
opsporing om maanden of jarenlang later gegevens op te
vragen over een verdachte. Het is de vraag of een
dergelijke onderbouwing voldoet aan de Europese
privacy-normen van proportionaliteit, effectiviteit,
subsidiariteit en noodzakelijkheid in een democratische
samenleving. Het gevaar dreigt dat de samenleving volledig
ten dienste wordt gesteld van opsporing, in plaats van
omgekeerd.
|
|
|